Hof ten Broeke '97(Schilde Hof/Park)

 

A) Kruidachtige planten

Gewoon Speenkruid ( Ranunculus ficaria bulbifer)

Ranonkelfamilie. Hart- of niervormige bladeren. Bloem: geel, bloei: vanaf III

ficaria= vijg, dit verwijst naar de speentjes(energievoorraad voor het voorjaar) aan de wortels. In de bladoksels bevinden zich broedbolletjes, de niet fertiele planten hebben die, en zorgen voor een vegetatieve voortplanting.

De bladeren bevatten vit. C, dit is goed tegen scheurbuik, maar alleen vóór de bloei te gebruiken(anders giftig protanemonine!).

Signatureleer: goed voor tegen de aambeien(cfr de naam speen) en bloedzuiverend.

Volksnamen: hageboterbloem, katteklootjes, haneklootjes.

Gewone Salomonszegel (Polygonatum multiflorum)

Leliefamilie. Bloem: wit (1 zaadlobbig).

polygonatum = veelknoop

In de bladoksels hangen mooie witte bloemklokjes, die een geur verspreiden dewelke vooral de hommels lokt. De bessen zijn zeer giftig!

Ongeslachtelijke voortplanting d.m.v. de wortelstok die zich onder de grond verspreidt. Waar het blad aan de wortel afbreekt ontstaat een litteken hetgeen zou gelijken op de zegel van Koning Salomon.

-De Salomonszegel kan als geluksbrenger dienst doen

-Signatureleer: eksterogen

-Naam in Friesland: Hug(=zeug) met biggetjes(cfr tepeltjes)

-Giftig(digitalis), de hartspier verkrampt.

-Toverkracht: openen van sloten(schat)

Zevenblad ( Aegopodium podagraria)

Schermbloemige. Aegopodium = geitevoet, cfr vorm blad. Podagraria = voetjicht(goed tegen de kwaal). Ook kalmerend, tegen jicht en reuma.

Het zevenblad werd vroeger in sla verwerkt, dus eetbaar(Vit. C).

Opgepast, het zou allergische huidreacties kunnen veroorzaken(recent verschijnsel).

Fluitekruid(Anthriscus sylvestris)

Schermbloemige. Komt zeer algemeen voor, en is een indikatie voor voedselrijke bodem. Soms als groenvoeder gebruikt(konijnen). Van de steel kan een blaaspijpje gemaakt worden(--> naam). Anthos = bloem en rhyskos = heg, maar weleer voor andere planten, sylvestris = bosbewonend, maar komt dus ook op graslanden en bermen voor. Ook wel wilde Kervel genoemd.

"Zere ogenbloem": stuifmeel van de plant kan ontsteking van de slijmvliezen, de oogleden, de neus en keel veroorzaken.

De bovengrondse delen leveren een gele verfstof.

Geneeskracht: opgeblazenheid, winderigheid

Klein Hoefblad (Tussilago farfara)

Composiet. Bloei: II-III

Naam= hoestverdrijver(tussio en agio = hoesten en verjagen) geneeskrachtig tegen hoest(zelfs al bij de Romeinen). Farfara = meeldragend, cfr witte onderkant van de bladen(vlies). In Poperinge en Ieper noemt men de plant "paarde-poot".

Bloem is gelijkaardig met de paardebloem maar fijner en reeds in april uitgebloeid. Aan de onderkant van het blad is er een vlies ter bescherming. Dit vlies werd ook in de tondeldoos gebruikt(gedroogd=vlambaar).

Geneeskracht: longaandoeningen(cfr naam), klieraandoeningen, niespoeder tegen hoofdpijn, duizeligheid en neusverstoppingen, chronische bronchitis.

Gebruik: snuiftabak, afleren van roken.

Groot Hoefblad (Petasites hybridus)

Composiet. Bloei: III-V

Volksnaam = Wilde Rabarber. Naaktbloeier, bloemen voor het blad, kruipende wortelstok(voorjaarsplant). In België vrij zeldzaam.

Ook Grote Hoedjesblaar(grote bladeren die als hoed kon geplooid worden), Petasos = breedgerande hoed(cfr geslachtsnaam). Hybridus = bastaard, de tweeslachtige onvruchtbare bloemen werden als bastaarden aanzien.

De grote bladeren geven beschutting aan dieren --> "Paddenbladeren".

Geneeskracht: krampwerend, pijnstillend, kalmerend, hoest, heesheid, moeilijke urinegang en galblaaskoliek. Als geneeskruid vroeger o.a. tegen pest, dus vroeger ook "Pestblad" genoemd.

Gebruik: In W.O. gebruikt als vervangtabak. Werd vroeger ook als inpakmiddel voor boter gebruikt.

Kleine Veldkers (Cardamine hirsuta)

Kruisbloemige, cfr Pinksterbloem. Deze vrijwel kale plant heeft een aantal rechtopstaande stengels, die uit een bladrozet komen.

Japanse Duizendknoop

Duizendknoopfamilie. Deze plant werd ingevoerd om als veevoeder te gebruiken(mislukt), maar deze plant overwoekert omdat hij geen natuurlijke vijanden heeft. Ook jagers waren voorstander van deze plant, omdat het wild zich hierin goed kan verbergen. Enige vijand = veel zonlicht?

Haagwinde(Calystegia sepium)

Warkruidfamilie. Komt op vochtige, voedselrijke bodem langs heggen en struikgewassen voor. Hij heeft een onuitroeibare wortel.

Calystegia: Kalyx = kelk en stege = bedekking, kelkomvattend(slaat op de schutbladen die de kelk bedekken). Sepes = haag.

Gewone Dotterbloem (Caltha palustris)

Ranonkelfamilie, bloei = IV-V, dooiergele bloemen, komt soms tot een tweede bloei. Iets giftig. De naam Caltha is waarschijnlijk afkomstig van het Griekse woord kalathos dat schaaltje betekent(vorm van de bloem). De Nederlandse naam = dodder = eierdooier(cfr kleur bloem).

Speerdistel (Cirsium vulgare)

Composiet, bloei VII-IX, blad heeft speerpunt. Aan dit plantje komt een paars bloempje, het ruikt niet in tegenstelling met de akkerdistel.

Dalkruid (Maianthemum bifolium)

Leliefam., bloei V-VI, komt als één blad naar boven het steeltje en dan pas het tweede blad(Dodoens=Eénblad). Maius = mei, en anthemum = bloem. Bifolium = 2 blad.

Giftig en 1 zaadlobbig,. De vruchten zijn kleine besjes. Het dalkruid is ook een geofiet(cfr bosanemoontje, speenkruid). De bessen lijken op kieviteitjes.

De Slanke en Gewone Sleutelbloem (Primula elatior, veris )

Sleutelbloemfam., bloeit in het voorjaar.

De slanke komt meer op koele en vochtige plaatsen voor. Primalu veris = eerstelinkje in de lente. De gewone was een geneeskruid.

Ze hebben tweeërlei bloemen, een lange stijl en vrij diep in de kroonbuis zittende helmknoppen, of omgekeerd. Dit verzekert kruisbestuiving.

Bosandoorn (Stachys sylvatica)

Lipbloemige, bloei: VI-IX, riekt onaangenaam(rotte eieren, weekluizen) --> "Stinknetel", steel is behaard, zacht blad, vierkante stengel. Sylvatica = bosplant.

Folklore: De rook van verbrande bosandoorn zou boze geesten verdrijven.

Lelietje-der-dalen of Meiklokje (Convallaria majalis)

Leliefamilie, giftig en geneeskrachtig, voorjaarsbloeier. 1 zaadlobbig, geofiet(ondergrondse wortelstok). Convallis = dal, leiron = Lelie. Majalis = mei.

Giftig(cfr vingerhoedskruid)! Werking op hartspier en de bloedsomloop.

De Germanen eerden Ostora door meiklokjes op het vreugdevuur te gooien(lente!).

De Christenen zetten ze in vazen in de maand mei voor Maria, ze zijn een symbool van absolute zuiverheid.

Geneeskracht: Nerveuze hartstoringen.

Gebruik: Parfum onderdeel. Niespoeder. Wijntoevoeging in Duitsland! Gele verfstof.

Volksgeloof: bloemperkje met meiklokje zelf aanplanten ==> zelfde jaar dood.

Stinkende Gouwe(Chelidonium majus)

Papaverfamilie, giftig, geneeskrachtig(wratten, lever, kramp, ...), bloei: V-X

Chelidonium = geschenk van de hemel of zwaluw.

In de wetenschappelijke naam zit zwaluw, de kleintjes moesten vocht krijgen van de plant om de ogen open te krijgen.

Wrattenkruid, het gele sap(goudkleur --> gouwe) wordt hiervoor gebruikt.

Signatureleer(waarbij de geneeskrachtige eigenschappen van planten gegeven worden volgens het volksgeloof, naar uiterlijke kenmerken): voor de ogen, andere namen zoals Ogenklaar en Schellekruid duiden hier ook op, en ook voor geelzucht.

Giftig: vooral de wortel ==> dodelijke vergiftigingsgevallen.

Geneeskracht: maag-, darm- en leveraandoeningen, sproeten.

Volksgeloof: mol + stinkende gouwe ==> redder uit nood. Goudaanmaker.

De zaden van de plant worden door mieren verspreid. De mieren lusten immers het vettig wit aanhangsel rond de zaden en slepen het daarom mee naar hun nest.

Look zonder Look(Alliaria petiolata)

Kruisbloemige, knoflookgeur maar geen lelieachtige. Vroeger een keukenkruid. Bloei:IV-VI(witte bl.)

Eetbaar(armemensenlook,poor-mens-mustard), reuk = look,ui(gekneusd blad).

Volksnamen: knoflookkruid, kleine look, heggemosterd.

Signatureleer: vroeger tegen zweren.

Geneeskracht: wormdrijvend(thee), ademwegen (bijna niet meer gebruikt)

Keuken: als waterkers, tussen sla. Mosterdsurrogaat(Garlic Mostard in Engeland).

De peterselievlinder is een trouwe bezoeker van deze plant.

Bosanemoon(Anemone sylvestris)

Ranonkelfamilie, bloei: III-V. Meestal witte bloemen, soms gekleurd, door de ondergrond of licht?

Geofiet zoals het speenkruid. De energie zit in de wortelstok(cfr wortelknolletjes bij het speenkruid), dus vroege fotosynthese mogelijk(voorjaarsbloeier). Aan de wortelstok komen de steriele bladeren. Rond de bloem staan de "omwintelingsbladeren".

Kleistogaam: De bloem heeft veel meeldraden die voor zelfbestuiving zorgen, deze bloem is ook kleiner, en blijft gesloten.

Anemoon = wind. Anemone was een nimf die door de windgod Zephyrus bemind werd. Zijn vrouw kon dit niet verdragen en werd jaloers. Ze veranderde de nimf in een bosanemoon. Zo komt het dat de bloem nu bij het minste zuchtje wint al beweegt, want dan is Zephyrus bij haar. Sylvestris = bosplant.

Signatureleer: waterafdrijvend

Het giftige sap(gemengd met vet van een oude zeug) werd in de Middeleeuwen gebruikt tegen melaatsheid. Tot voor kort verkocht men nog anemoonaftreksel tegen sproeten.

Volksnaam: "Tournemidi". De bloem draait zich met de zon mee, vandaar soms "achteromkijkertje" genoemd.

Ranonkelfamilie, dus giftig, niet na droging.

Hondsdraf (Glechoma hederacea)

Lipbloemige, voorjaarsbloeier. Aangename geur.

Hederacea: klimop die langs de grond kruipt, dit werd vroeger zo gezien.

Hondsdraf zou een verbastering zijn van wond en rank(geneeskracht) of van het Hoog Duits "gunderabe"(= wonden genezer bij de Goten).

Oude benaming = hoefijzertje. Het blad ruikt bitter(specifieke geur). Paarden zijn zeer gevoelig aan dit kruid( kan tot hartzwakte lijden).

Het plantje staat op stikstof rijke bodem(nabijheid van netels), en werd soms i.p.v. hop in bier gedaan.

Signatureleer: het gebruik van de niervormige bladeren zou urinedrijvend zijn.

Gebruik:

-keukenkruid(voorjaarssalade), soep

-aangeplant als grondbedekker

-anti-netel werking

-eetlust, oogverzorging, hoofdpijn, diarree, hoest en verslijming van de ademwegen.

Gewoon Vingerhoedskruid(Digitalis purpurea)

Helmkruidfamile, bloei:V-X. Giftig!(Digitalis). Maar hierdoor ook als geneesmiddel te gebruiken(waterzucht omwille van een slechte hartwerking). Bij Dodoens is het een hoestmiddel.

Witte Klaverzuring (Oxalis acetosella)

Klaverzuringfam., bloei: IV-V(wit). Heeft kleistogame bloemen en ook voortplanting via de wortelstok. Het zuur = oxaalzuur, wat in grote hoeveelheden slecht is voor de nieren. Zie ook het oxaalzuur(=zuringzuur, gebruikt tegen roestvlekken) in de sleedoornvrucht. Dit plantje is geen familie van de klaver. De ridders smeerden hun wapens in met oxaalzuur om ze "onfeilbaar" te maken. Het zuur zou bescherming brengen tegen heksen. De blaadjes hebben een "slaapstand", ze kunnen zich laten hangen tegen de zon, en bevatten vitamine C wat goed is tegen scheurbuik. De tere witte, rood geaderde bloempjes bevatten nectar als ze onderaan geel zijn. Bij rijpe zaadjes knakken deze open en zorgen alzo voor verspreiding.

Geneeskracht: bloedzuiverend, koortswerend, urinedrijvend, sproeten.

Gebruik: smaakmaker, Indianen lieten hun paarden dit eten om sneller te lopen, in frisse limonades, roestvlekkenverwijderaar, afbijtmiddel.

De volksnaam Alleluia heeft te maken met de Paastijd(bloei, dan ook zang Alleluia)

Muskuskruid (Adoxa moschatellina)

Muskuskruid fam., muskusachtige geur, bloemhoofdje kubusvormig(4+1 bloempjes in dobbelsteenvorm). Bloei: III-V, rottingsgeur van de bloemen. Er is maar een soort in dit geslacht. De rottingsgeur van de bloemen trekt insekten aan, ook door een slak gebeurt er bevruchting. Deze plant brengt de zaadjes rechtstreeks in de grond aan.

Adoxa = onaanzienlijk, dus klein plantje.

Koekoeksbloem(Melandrium rubrum(dag),album(avond), noctiflorum(nacht))

Anjerfamilie. 2-huizige plant(niet de nachtk.?).

De plant bloeit wanneer de koekoek terug is. De bloemen van de Dagkoekoeksbloem zijn paarsrood, die van de Avondskoekoeksbloem wit en de Nachtkoekoeksbloem gelig. De avondskoekoeksbloem is een verbastering van de Dagkoekoeksbloem.

In Engeland geloofde men dat als een kind de bloem zou plukken, iemand van zijn familie zou sterven.

Echte Koekoeksbloem(Lycnus flos-cuculi)

Anjerfamilie. Naam= helderrode koekoeksbloem. Veel bijgeloof(liefdes indicator, onweersvoorspeller, ...). De plant bloeit in mei, wanneer de koekoek terugkomt, de naam kan ook van "koekoekspog" komen(cfr Pinksterbloem).

Paardebloem (Taraxum officinale)

Composiet, naam omwille van geliefd door paarden.

Bloei: IV-VII De pluisjes zijn klonen.

Taraxis = oogziekte en akoemai = genezen

Gegeerd door de imkers(stuifmeel). Mannelijk = lintbloem, Vrouwelijk = buisbloem.

Geneeskracht: Taraxine:speekselklieren, maagsecretie(spijsvertering). Lever, suikerziekte en geelzucht. Nieren(cfr "pisbloem" verhoogde urinelozing), bloedreinigend en laxerend.

Melk van koeien die veel paardebloemen hebben gegeten bevat de urineafdrijvende bitterstof en kan tot bedwateren bij kinderen leiden("Pissenlit").

Giftig: wortels en bloemstelen(bij grote hoeveelheden: maag- darmstoornissen), allergische huidreacties.

Keuken: Sla(jonge bladeren). "Molsla": men groef de bladeren uit molshopen, ze zijn dan wit en smaken als Witlof. Wortels als surrogaatkoffie.

Het witte melksap kan als "noodrubber" of latex gebruikt worden.

Gewoon(of geel) Nagelkruid (Geum urbanum)

Rozenfamilie, bloei:V-IX. Boze geesten verdrijver. Zaadjes hebben puntjes die kleven, ook te gebruiken als kruidnagel(vervangmiddel van de 'dure' kruidnagel, de aromatische wortel ruikt naar kruidnagel, vandaar).

Geum = smaak in't Grieks, dus spijzenkruid.

Urbanum = stedelijk, de plant kwam vroeger in de buurt van steden en dorpen voor.

Vroeger tegen veel kwalen gebruikt(keelontsteking, indigestie, maag, ... ).

Volksgeloof: Duivelsbeet in de wortel(stervormige structuur in het wortelmerg).

Gebruik: tegen het zuur worden van zelfgebrouwen bier.

Dovenetel (gevlekte, witte en gele) (Lamium maculatum,album , galeobdolon)

Lipbloemige. Lamos = muil, voor de vorm van de bloemen.

Mierebroodje(witte olie onderaan het nootje). De mieren slepen de vruchtjes naar hun nest, en zorgen bij verlies ervan voor verspreiding.

Witte(= album) Dovenetel werd toegepast bij menstruatieproblemen, infecties van de ademwegen en slapeloosheid.

Galeobdolon= gala en bdallo voor melk(en) en slaat eigenlijk nog op de Witte.

Uitzicht van netel om aan vraatzucht te weerstaan.

Bijvoet (Artemisia vulgaris)

Composiet. Blad aan de onderzijde wit viltig. Onderkant blad = grijs/zilver.

Artemisia = Godin Artemis(Diana), die behalve de jagers ook de kraamvrouwen beschermde, dus vroeger als geneeskruid bij zwangerschappen en geboorte gebruikt. Vulgaris = gewoon(komt veel voor).

Bijvoet = oud gebruik om de plant aan de voet te binden tegen vermoeidheid(Werd ook door de Romeinen in de sandalen gedaan tegen vermoeidheid en pijnen).

Signatureleer: vruchtafdrijvend(cfr artemesia).

Geneeskracht: spijsverteringsstoornissen, eetlust, diarree. De plant in schoeisel verlicht vermoeide voeten. Zou toch helpen bij moeilijke bevallingen en het afdrijven van de nageboorte.

Gebruik: Insektenverdrijvend(Mottenverdrijvend), omwille van de alsemgeur. Vroeger i.p.v. hop gebruikt.

Keuken: als toekruid bij vette spijzen, een takje een dag in witte wijn laten trekken.

Heksen: Bijvoet wordt wel eens 'de moeder der kruiden' genoemd. Het is een van de heilige kruiden, die men in het vuur moet werpen om bevrijd te raken van ziekten en kwalen en om heksen en duivels te verdrijven.

Maarts Viooltje (Viola odorata)

Viooltjesfamilie. Vrij zeldzaam. Parfum van de liefde, dus met sterk geurende bloemen(vroeger geurenverdringer), cfr "odorata" = welriekend.

Geneeskracht: oorpijn, reuma, astma en kinkhoest.

Volksgeloof: viooltjes brengen ongeluk.

Kleefkruid (Galium aparine)

Walstrofamilie. Kleverige stekeltjes op de vierkante stengels. In krans staande bladeren, zie ook het Lievevrouwebedstro(niet het Akkerbedstro). De haakjes van de plant hechten zich aan de pels van dieren en zorgen zo voor verspreiding.

Apairo = oppakken, vastpakken. Gala(geslachtsnaam) = melk, het Echt Walstro bevat een melkstremmende stof.

Volksnaam: "Duivelsnaaigaren".

Geneeskracht: De saponine is urine- en slijmafdrijvend en daarom gebruikt bij nierziekten, waterzucht en pleuritis. Bloedstelpend en haargroeimiddel.

Gebruik: surrogaatkoffie(vruchtjes), vervangcichorei(wortels), rode verfstof(wortel).

Moerasspirea (Filipendula ulmaria)

Rozenfamilie. Ulmaria = Iepachtige bladeren, filipendula = knolletjes aan dunne worteltjes(=draden). In moerassige gebieden en sloten. Oude naam = Regina Prati = koningin der weide(Engeland en Frankrijk).

Geneeskracht: thee tegen reuma waterzucht. Gorgelmiddel. De bloemen en wortels bevatten salicylzuur(cfr aspirine). Nierontsteking(urineafdrijvend).

Keuken: heerlijke zomerse drank(witte wijn met 5 bloemschermen en 1 week laten intrekken). De jonge scheuten van de Moerasspiraea kunnen gegeten worden als asperges en de wortelstok als schorseneer.

Gebruik: Amandelgeur, dus geurtjesverwijderaar en insektenverjager. In wijn (Griekenland). De wortels bevatten een zwarte kleurstof.

St. Janskruid (Hypericum perforatum)

Hertshooifamilie. Geneeskrachtig(wonden), cfr signatureleer(kijkend naar de vorm van de plant). Zou in bloei staan op 24 juni(= St. Jan, overname door kath. van de Germanen die het opdroegen aan Balder), dus mooiste bloei rond de langste dag, en daardoor bij de Germanen bij hun midzomerfeesten gebruikt.

Geneeskracht: depressies, wondheling cfr St. Janskruid olie(brandwonden,...). Bevat etherische olie en looistof(dus effectief). Nerveuze pijnen, bedwateren, ...

Legende: rood sap = bloed van Christus, en de gaatjes zijn er door de duivel in geprikt, duivelverdrijver.

Giftig: bloemen en stengelbladeren(rood sap kan huidreactie geven).

Hypericum perforatum = blad met doorschijnende puntjes >< Hypericum montanum = blad met zwarte kliertjes aan de rand = Berghertshooi.

Bosvergeetmenietje (Myosotis sylvatica)

Ruwbladigen. Aan bos en bosrand. Myosotis zie de palustris. Sylvatica: bosplant.

Moeras-vergeet-me-nietje( Myosotis palustris)

Ruwbladigen. Algemene plant aan moerassen en water.

Vergeet-me-nietje: kleine blauwe bloempjes, die op blauwe ogen lijken, symbool van de liefde. Het werd wel eens gebruikt tegen oogkwalen(signatureleer?)

Muos, otis: muis, oortje voor de zacht behaarde, soepele blaadjes.

Palustris: moerasplant ---> moeras en vochtige plaatsen.

Zwart Tandzaad (Bidens frondosa)

Composiet. Bidens = tweetand, en slaat op de naalden van de vruchtjes.

Gewone Smeerwortel (Symphytum officinale)

Ruwbladige. Geneeskrachtig(de slijmerige substantie van de wortel op kompressen).

Symphytum van sumphuo = samengroeien, dus voor breuken in de oudheid.

"Suikerwortel": Zoete wortel om te kauwen, tegen de dorst (kinderen).

Verder goed voor: ontstekingen, verstuikingen, bloedstelpend, ...

De verse bladeren geven een gele verfstof af en de wortel een rode verfstof.

De jonge scheuten werden vroeger als asperge gegeten.

Roodpaarse tot witte bloemen.

Gevlekte Aronskelk (Arum maculatum)

Aronskelkfamilie. Rottingslucht die vliegen aantrekt(gevangen ==>kruisbestuiving).

Verspreiding door bv. de merels door het eten van de rode bessen.

Vlekken zouden afkomstig zijn van de lanssteek van Christus, of uit de staf van Hogepriester Aron. Of van aros = nuttig, de wortel van de plant bevat veel zetmeel.

Maculatom = gevlekt, cfr ook in de Nl. naam.

Volksnamen: Aronsstaf, Koevoet, Kalfsvoet, Kindje-in't-pak naar het blad of de bloem.

Blad = Reumamiddel, en heeft een brandende prikkelige smaak.

Grote Waterweegbree (Alisma plantago-aquatica)

Waterweegbreefamile, niet de weegbree! Bladvorm(die van boven het water) is overeenkomstig de weegbree. Eetbaar voor geiten, giftig voor ander vee.

Groot Heksenkruid (Circaea lutetiana)

Teunisbloemfamilie. Naam afkomstig van de Grieks mythische tovenares Circe(veranderde Odysseus en metgezellen in zwijnen), de soortnaam is de Romeinse naam van Parijs(was het centrum van de hekserij). Wie Heksenkruid in het bos tegenkwam zou verdwalen.

Teunisbloem (Oenothera biennis=middelste)

Teunisbloemfamilie, ingevoerd van N. Amerika als groente, daarna verwilderd.

Geslachtnaam komt van oinos = wijn. De eetbare(gekookte) wortel heeft een geur als van wijn. Vroeger gewijd aan St. Antonius, dus Teunisbloem. Bladeren = surrogaat van tabak tijdens de oorlog. De zaden kunnen gemalen tot meel.

Grote en Kleine Klit (Klis) (Arctium lappa, minus)

Composiet. De vruchtjes hebben haakvormige omwindselblaadjes.

Arctium, van arktos = beer, vruchten worden met ruwe berehoofdjes vergeleken(Dodoens), lappa = vasthouden.

Volksnaam: "Bedelaarsluizen".

Klit is geneeskrachtig:

-haargroeimiddel bij de Romeinen(signatureleer cfr de vruchtjes)

-waterafdrijvend, zweetafdrijvend, jicht, reuma en bij huidaandoeningen.

Gebruik: als keukenkruid te gebruiken(wortels als schorseneren, vleesvervanger te samen met paardebloemwortel en ei).

Volksgeloof: geluksbrenger en heksenverjager, liefdeverwekkend voor de man.

Folklore: "klisseboer" = luilak die de zaterdag voor Pinksteren als laatste op de afspraak verscheen. Hij werd in het water gegooid(Oudgermaans gebruik om regen).

Grote Muur (stellaria holostea)

Anjerfamilie. Signatureleer voor botbreuken, holos = heel en osteon = bot.

Geneeskrachtig: vroeger bij oogontstekingen

Drienerfmuur (Moehringia trinerva)

Anjerfamilie. In de bladeren zijn duidelijk drie nerven aanwezig. Naam van arts Moehring(eind 18e eeuw).

Gewone Bereklauw (Heraclum sphondilium)

Schermbloemige. Zeer variabele vorm van bladeren ==> bereklauw.

Geslachtsnaam van Heracles. Deze Griekse held zou de eerste geweest zijn die de medicanale kracht onderkende. De soortnaam komt van het Griekse woord sphodiliun(wervel) en slaat op de knokige bladschede. Bezocht door talloze insekten.

De jonge bladeren en scheuten kunnen rauw als salade worden gegeten.

Heracleum: Heracles zou de eerst geweest zijn die het kruid als geneesmiddel gebruikte.

Folklore: Er werd ook geloofd dat ter voorkoming van de vallende ziekte er een stukje wortel om de hals gehangen moest worden.

Signatureleer: zenuwkwalen, de stengel is geribd, het gevolg was dat men zei dat de stengel voorzien was van zenuwpezen.

Gewone Engelwortel (Angelica sylvestris)

Schermbloemige. Te vergelijken met de bereklauw, maar heeft een gladde stengel.

Vroeger slijmoplosmiddel bij borstziekten.

Legende: Engelen(Angelica) brachten deze plant uit de hemel tegen de pest.

De verse stelen kunnen rauw of gekookt gegeten worden. In Engeland maakte men van de gekonfijte wortel een lekkernij om in gebak te verwerken.

Vroeger toegepast bij spijsverteringsstoornissen.

Karmelietenwater: het gelige sap werd hierbij gebruikt, aldus een lang leven verzekerend.

Nu nog in likeuren en in de parfumerie gebruikt.

Reuze (of Grote) Bereklauw(Heracleum mantegazzium)

Schermbloemige, verwilderde sierplant . Ook de Kaukasische of Perzische Berenklauw, fel in trek bij de imkers. De plant bevat haartjes op de stengel en blad, deze bevatten een vloeistof die verbranding tot de 2e graad kunnen veroorzaken.

Watermunt (Mentha aquatica)

Lipbloemige. Vooral aan waterkanten en vochtige streken. Sterke geur(minthos = sterk ruiken).

Andere namen: "kruizemunt" en "bruinheilige"(omdat het kruid bruine stengels heeft).

Andere soorten: Akkermunt(olie in thee), Groene Munt(opwekkend middel,reukwater).

De gecultiveerde Pepermunt is een kruising tussen Watermunt en Groene Munt.

Geneeskracht: maag- darmkanaal, lever- en galkwalen, ...

In vroegere tijden veel in strooisels vermengd om huizen en kerken te verfrissen. In hooibergen gedaan verdreef het de muizen.

Kale Jonker (Cirsium palustre)

Composiet. Stengel stekelig gevleugeld. Distelsoort.

Reuzebalsemien (Impatiens glandulifera)

Balsemienfamilie. Zaadvruchten knallen ook open zoals bij het Springzaad. Langs rivieren en op woeste grond.

Harig Wilgeroosje(Epilobium hirsutum)

Teunisbloemfamilie. Hirsutum = behaard, voor de stengel en bladeren(viltig). Voorkomen in vochtige bossen en moerassen. Gezaagde, behaarde bladeren die gelijken op die van de wilg. De bloem, geplukt, verwelkt vlug.

Het Wilgeroosje(E. angustifolium) komt ook veel voor, zie de wollige zaadvlokken in de herfst(vroeger als vulmiddel gebruikt, aanmaak van wieken). Deze soort heeft kale, gegolfde, lancetvormige bladeren.

Verse bladeren tegen ontstekingen en bloedstelpend.

Waterviolier (Hottonia palustris)

Sleutelbloemfamilie. Hotton was Leidse botanicus. Komt in zoet water voor, sloten en plassen(palustris = moeras). " Waterpinksterbloem" omdat de bloemen op die van de pinksterbloem lijken. Oud geneeskruid.

Smalle, Grote en Ruige Weegbree (Plantago lanceolata, major, media)

Weegbreefamilie. De smalle heeft lancetvormige bladeren, is geneeskrachtig(hoest).

De grote heeft brede, grote en vrijwel kale bladeren(tredplant). De ruige heeft behaarde bladeren(ook tredplant). Plantagio komt van de bladeren van de Grote Weegbree, die in veel volksverhalen vergeleken worden met voetstappen. Bij de Indianen = 'voetstappen van de bleekgezichten', zaden zaten in de kleren.

Lanceolota = speerachtig, voor de bladen van de Smalle Weegbree.

Geneeskracht van de Grote: kiespijn, middenoorontsteking, bedwateren.

Geneeskracht van de Smalle: ontstekingen van de ademwegen

Keuken: soep, boterhambeleg

Muurleeuwebek (Linaria cymbalaria)

Helmkruidfamilie. De plant is gesteld op niet al te muren en rotsen. Hij vereist een zekere luchtvochtigheid. Lichtpaars bloempje.

Margriet (Chrysanthemum leucanthemum)

Composiet. Grote witte(3 tot 6 cm) straalbloemen. Grasland.

Chrysantemum van chrusos en anthos = goud en bloem, leukos = wit. Vele van dit geslacht zijn geel. Vroeger tegen keelontstekingen. In Spanje en Frankrijk worden de wortels tot sla versnipperd(fris).

Gewone Ossetong (Anchusa officinalis)

Ruwbladige. Blauwpaars bloempje. Zacht behaarde steel en bladeren.

Robertskruid (Geranium robertianum)

Ooievaarsbekfamilie. Onaangename geur bij fijnwrijven van de plant.

Signatureleer: bloedziekten cfr kleur blad(Bloedkruid, Bloedwortel).

Homeopathie: gewichtstoename(ziekte van Basedow) en inwendige bloedingen. Ook voor keel- en tandontstekingen(gorgelen).

Robert(ianum) van Latijn ruber = rood of van de Heilige Robert, die als eerste de geneeskrachtige werking ontdekte.

De naam Geranium is afgeleid van het Griekse woord voor kraanvogel of ooievaar: geranos, gesnavelde vrucht.

Gele Lis (Iris pseudacorus)

Lissenfamilie. Iris = regenboog, lissen hebben een grote kleurenvarieteit.

De enige natuurlijke is de Gele Lis. Vochtige standplaatsen.

Pseudacorus: de bladen lijken op die van kalmoes(Acorus).

De bloem komt in de heraldiek voor. In de Egyptische tempel van Thebe.

De christelijke kerk gebruikt de Iris als symbool van de Drieëenheid.

Giftigheid: bladeren en wortelstok, gevaarlijk in hooi voor vee.

Geneeskracht: gedroogde wortelstok --> braakwekkend, purgerend en nieswekkend

De wortel werd ook gebruikt voor het oplossen van blauwe plekken.

Gebruik: koffiesurrogaat, gele verfstof. In combinatie met ijzersulfaat voor zwarte inkt.

Schoongemaakte wortelstokken werden aan baby's gegeven om vlugger tanden te krijgen(cfr Romeinen tijdens Plinius, kinderen kauwden op wortel tijdens het tanden krijgen).

Penningkruid (Lysimachia nummularia)

Sleutelbloemfamilie. Heeft kruipende, op de knoppen wortelende stengel.

Naam: De tegenoverstaande blaadjes doen enigszins aan munten of penningen denken. Nummularia = kleine munt.

In de ME als heler van honderd kwalen, nu in de kruidengeneeskunde voor de inwendige en uitwendige genezing van wonden en zweren, bij jicht en reuma.

Akkerdistel (Cirsium arvense)

Composiet. Bloemen hebben als enigste distel een zoetige, muskusachtige geur.

Akkerdistel = ook "Boerenplaag" genoemd.

Cirsium komt van Grieks(Kirsion) voor Distel, komt van kirsos = spataderen, dus middel tegen spataderen in de oudheid.

Veldlathyrus (Lathyrus pratensis)

Vlinderbloemige. Zoals vele vlinderbloemigen bezit hij aan de wortels knolletjes met bacteriën die stikstof uit de lucht binden en in een voor de planten opneembare vorm omzetten. Ongevleugelde vierkante stengel. De bladeren smaken bitter.

Grote Lisdodde (Typha latifolia)

Lisdoddefamilie. Overblijvende moerasplant.

Gewone en Veld Ereprijs (Veronica chamaedrys, arvensis)

Helmkruidfamilie. De gewone komt het meest voor. Zo hebben we ook nog de Grote-, de Akker-, de Blauwe Water Ereprijs, de Veld Ereprijs en de Beekpunge.

Veronica zou van zegebrenger komen, voor de geneeskracht. Ereprijs, omwille van genezing van Franse koning(zweren). Chamai en drus = nederige eik, bladen lijken op eikebladen, maar groeit laag bij de grond.

Pinksterbloem (Cardamine pratensis)

Kruisbloemige. De pratensis komt meer in hooilanden voor, terwijl de palustris (ondersoort?) met witte bloemen meer in moerasgebieden voorkomt. Waardplant voor het Oranje tipje. Wordt ook Schuimkruid genoemd, omdat het een favoriete verblijfplaats is van "koekoekspog"(schuim veroorzaakt door een kevertje, de Schuimcicade). Rijk aan vitamine C(scheurbuik) en lekker.

De geslachtsnaam zou komen van het Griekse kardia voor hart, omdat de plant vroeger bij hartziekten werd toegepast. "Pratense" = van de weide.

In sommige streken wordt de Pinksterbloem genoemd naar de vogel die gelijk met de bloemen van de plant verschijnen: Koekoeksbloem, Uiversbloem(ooievaar) enz.

Homeopathie: maagkramp.

Keuken: voorjaarssalade en als toekruid.

Heermoes(Equisetum arvense)

Paardestaartenfamilie. Komt vaak als pionier op vrij schrale, vochtige, ook chemish verontreinigde grond voor. Energievoorraad in de wortelstokken.

Ook Paardestaart genoemd(Paarden zijn er gevoelig aan).

Arvense van arvum = akker. Akkerpest door de boer genoemd.

Equus = paard, setum = borstel, dus paardestaart als geslacht.

Andere benamingen: Akkerpaardestaart, Naaldenkoker(holle stengel en naald takken).

Cfr de Bospaardestaart(Equisetum silvaticum), paardestaartefamilie is een zeer oude plantenfamilie.

Schuurbies(volksnaam), voor het kuisen van tinnen vaatwerk(voorloper van "vim").

Geneeskracht: nier- en blaasaandoeningen, bloedstelpend, blaarverzachtend. Thee in kompressen om traag genezende wonden te helen.

Opgepast Lithrus is giftig!

Hekserij: Het uiteinde van Heermoes(akkergeest), kon niemand pakken, daar zou ook een gouden ring zitten(enkel te pakken door sommige heksen).

Zilverschoon (Potentilla palustris)

Rozenfamilie(cfr ganzerik). Gele bloempjes op de kruipende stengels. Blad gelijkt op dat van lijsterbes, onderkant is grijs.

Potens = machtig(geneeskracht), anserina = van de ganzen(bladeren = ganzevoer, daarom ook "ganzerik" genoemd).

Giftig: de niet gekookte wortel(giftig voor paarden, niet voor andere dieren)

Geneeskracht: diarree, maag- en darmpijn, menstruatiepijnen, gal-aandoeningen.

Keuken: wortelstok werd gekookt, daarom zelfs aangeplant.

Madeliefje (Bellis perennis)

Composiet.

Spatelvormige bladeren vormen een wortelrozet.

"Maagdenliefje", ontstaan uit de tranen van Maria als ze naar Egypte moest vluchten, of uit de vreugdetranen toen zij begroet werd door de engel Gabriël.

Ook: Nl. naam "made" = weide, in weiland komt dit lage sierlijke plantje veel voor.

Bellis = mooi, en Perennis = blijvend, langdurig in bloei?

Keuken: soep, bij de sla, in cherry-azijn, in olie.

Volksgeneeskunde: hoest, jicht en reuma. In voorjaarskuurmengsel gebruikt.

Volksgeloof: Het eerste madeliefje dat men ziet opeten ==> gans het jaar geen koorts.

Homeopathie: verstuikingen, steenpuisten en eczeem.

Gebruik: Madeliefjes maken in de grond kalk aan. In de ME om hondjes klein te houden. Nog tijdens de ME gebruikt als liefdesindicator(hoofdkrans, of 2 op het schild). Aftellen met de kroonblaadjes(wachten op huwelijksdag).

Kleine Balsemien ?Klein springzaad(Impatiens)

Balsemienfamilie. Niet teruggevonden in de flora, wellicht klein springzaad, zie verder.

Koninginnekruid (Eupatorium cannabium)

Composiet. Komt op algemeen op vochtige plaatsen voor. Cannabis = Hennepachtige(lijkt erop). Koninginnekruid komt van het Duits(Kungundenkraut) of van keizerin Cunegonda( herbe de sainte Cunegonde).

Koning Eupator(cfr geslachtsnaam) zou het Leverkruid(oude Nl. naam) als geneesmiddel tegen leverkwalen gebruikt hebben of als beste tegengifingrediënt in Theriak(later Veneetse Triakel ), omdat de Romeinen hem wilden vergiftigen.

Geneeskracht: koortsige infecties, versterken van afweersysteem, versterkend.

Hekserij: tegen onheil en blikseminslag. Tover- en liefdesmiddel.

Vogelmuur (Stellaria media)

Anjerfamilie. Stellaria = kleine ster, cfr de bloem. De vogels eten graag deze groene plantjes en zaadjes, dus vogelmuur. De ronde stengel heeft aan één kant een rij haren. Op vruchtbare grond. Muur is een oud geneeskruid en wordt in de homeopathie nog steeds gebruikt bij jicht en reuma.

Krulzuring (Rumex crispus)

Duizendknoopfamilie. Op vochtige voedselrijke grond. De lancetvormige bladeren zijn gegolfd tot gekroesd.

Groot en Klein Glaskruid (Parietaria officinalis, judaica )

Brandnetelfamilie. Het klein glaskruid komt vooral op oude muren voor. Het groot op voedselrijke grond onder beschutting(zeldzaam). Hier omwille van de Dodoenstuin.

Bitterzoet (Solanum dulcamara)

Nachtschadefamilie. In bossen tussen struikgewas en tegen heggen op vochtige plaatsen. Paarse bloemen. Eerst groene, dan gele, en daarna rode bessen.

Grote en Kleine Brandnetel ( Urtica dioica, urens)

Brandnetelfamilie. Algemeen op stikstofrijke plaatsen. De bastvezels als voorloper van katoen(neteldoek!, touw). Twee-huizig(= dioica). Urere = branden.

De kleine is minder algemeen geworden.

Naam: "Brandende" netel. De holle haren hebben onderaan een gifklier en bovenaan een kiezelachtig puntje. Bij aanraking breekt dit puntje af en komt er een zuur vrij. Dit is een handig beschermmiddel tegen de vraatzucht van dieren.

Waardplant voor de atalantavlinder(de behaarde rupsen hebben er geen last van)

Keuken: soep, als kruidentoemaat, werkt reinigend.

Geneeskracht : reuma, nierkwalen, urinedrijvend, potentie(cfr. Romeinen), huiduitslag, lichte verbranding, gewrichtsontstekingen.

Signatureleer: haargroeimiddel, cfr de brandharen.

Hop(Humulus lupulus)

Hennepfamilie. Tweehuizig. Voor de bereiding van bier worden de vrouwelijke bloeiwijzen(de hopbellen bevatten lupuline, een bittere stof) gebruikt. Bij teling worden dus de mannelijke gemeden.

Maar Lupulus is ook = wolfje, voor de stengels omdat die struiken wurgen.

Historie:

-Joodse gevangen in Babylon dronken gerstebier met hop(preventief tegen lepra).

-Romeinen aten jonge hopscheuten als groente.

-Vanaf 1097 in de bierbrouwerij, vanaf 14e Eeuw in Holland, verboden in Engeland.

Geneeskunde: lupuline wordt gebruikt als slaap- en kalmeermiddel, hop ook als eetlustopwekker en pijnstiller.

Gebruik: bruinachtige verfstof, vezels van de bast, jonge scheuten als asperges.

Moesdistel (Cirsium oleraceum)

Composietfamilie. Heeft zachte stekels. Gelig witte bloemen.

Komt op vochtige, stikstofrijke bodem voor.

Vroeger tegen reuma en jicht, alsook tegen kiespijn en krampen.

Wilde Kamperfoelie (Lonicera periclymenum)

Kamperfoeliefamilie. Ook de mooie wurger genoemd. Op zomeravonden fel geurige(peperachtig?, vroeger in de parfumindustrie) klimplant, dus bezocht door nachtvlinders (ligusterpijlstaart, windepijlstaart, kolibrivlinder of zwaluwstaart). Vruchten = giftige, rode bessen. De Kamperfoelie is een inheemse klimplant en werd voeger als vervangtouw gebruikt.

Vogelwikke (Vicia cracca)

Vlinderbloemenfamilie. Bloemtrossen tot 40 blauwpaarse bloempjes. Algemeen tussen kreupelhout en langs sloten.

Kantig en Gevleugeld Hertshooi (Hypericum maculatum,tetrapterum)

Hertshooifamilie. Lijkt fel op het St. Janskruid. De bladklieren zijn kleiner als van het St. Janskruid. De steel van de gevleugelde heeft is vierkantig met 4 smalle lijsten, terwijl het St. Janskruid 2 smalle vleugels heeft en ronder is. Het Kantig heeft op de steel geen vleugels.

Klein en Groot Springzaad (Impatiens parviflora, nolitangere)

Balsemienfamilie. De hangende gele bloem tot 2cm bij de kleine en tot 3cm bij de grote. Bladeren van de kleine zijn scherp getand, van de grote stomp getand.

Volksnaam=kruidje-roer-me-niet, bij de minste aanraking springt de rijpe vrucht open, en de zaden springen met kracht weg. Impatiens betekent rusteloos en nolitangere raak me niet aan.

Heelblaadjes (Pulicaria dysenterica)

Composiet. Pulex = vlo, en Pulicaria heeft betrekking op het feit dat men de soorten van dit geslacht vroeger als bestrijdingsmiddel tegen vlooien gebruikte(eerder bij het zeldzame Klein Vlooienkruid=Pulicaria vulgaris). De geur van Heelblaadjes is citroenachtig. Dysenterica: vroeger tegen buikloop.

Akker en Gewone Hoornbloem (Cerastium arvense, fontanum)

Anjerfamilie. Cerastium --> keras = hoorn. De doosvrucht is hoornvormig gebogen.

Bij de Akkerhoornbloem zijn de witte kroonbladeren 2 maal zo lang als de kelkbladeren, bij de Gewone zijn ze even lang.

Ridderzuring (Rumex obtusifolius)

Duizendknoopfamilie. Geen gekrulde, maar enigszins gegolfde bladeren. Soms met rode nerven.

Klimop(Hedera helix)

Klimopfamilie. Houtige inheemse klimplant(met niet-parasitaire hechtwortels).

De klimop is in onze streken een algemene plant, die langs bomen en muren omhoog komt, maar ook op de grond gedijt. De groengele bloemen ontwikkelen zich alleen in de zon, dus aan de toppen.

Giftigheid: De bladeren, maar vooral de bessen zijn giftig, die wel massaal in de winter door merels, lijsters en bosduiven worden gegeten.

Folklore:

-Symbool van dronkenschap in de oudheid(Dionysus en Bachus met klimopkrans)

-Vroeger werden de huizen en kerken(kerstmis) met klimop versiert, later verboden.

Geneeskracht:

-menstruatie bespoedigen door inademen van hete damp van een bessenaftreksel.

-Tegen luizen

-Het irriterende klimophout werd gebruikt in het plaatsen van "fontanellen"(insnede in huid, daarin erwten en klimophoutjes en dat laten verzweren ==> ziektes verdwijnen)

-Eksterogen, wespensteken

Gebruik: Kledijreinigingsmiddel, de kleuren krijgen hun frisheid terug.

Wolfspoot (Lycopus europaeus)

Lipbloemige. Op vochtige plaatsen, vooral in bossen. Zoals de meeste lipbloemigen staan de bladeren kruisgewijs. De lancetvormige bladeren zijn diep en grof getand( ==> wolfspoot, zo-ook de wet. geslachtsnaam, lykos = wolf, pous = poot).

Geneeskracht: bij lichte gevallen van verhoogde activiteit van de schildklier.

Tegen darmverstoppingen(looistoffen) en geelzucht.

Gebruik: Zigeuners gebruikten het kruid samen met ijzervitriool om geroofde kinderen in te smeren om hen een donker uiterlijk te geven.

Breedbladige(Brede) Wespenorchis (Epipactis helleborine)

Orchideeënfamilie. Tamelijk brede, langwerpig tot breed-eivormig. De bloeiwijze kan tot 100 bloemen bevatten. Bij deze soort is kruisbestuiving noodzakelijk.

Gewoon Duizendblad (Achillea millefolium)

Composiet. Achilles zou ook zijn tegenstrever met deze plant genezen hebben, de etherische oliën zijn geneeskrachtig(looistoffen zijn bloedstelpend). Millefolium slaat op de talloze slippen in de bladeren. Standplaats = grasland en langs wegen.

Geneeskracht: Een van de oudste bloedstelpende planten(looistoffen). Hij verhoogt de adrenaline, ...

Door de zon kan er na contact met plantesap een huidreactie optreden.

Het is een uitstekend haarwasmiddel, en voorkomt haaruitval.

Folklore: anti-duivels en heksenkruid.

Waterpeper (Polygonum hydropyper)

Duizendknoopfamilie. Lijkt op Perzikkruid en de Zachte Duizendknoop.

Werd vroeger in de keuken gebruikt als "peper"!

Giftig: Alle groene delen zijn giftig!, het eten van de groene bladeren kan onder zonsinwerking bij gevoelige mensen huidirritaties veroorzaken(fotosensibiliteit).

Polygonum = veelknobbel, hydropype = waterpeper.

Gebruik: als "muggenkruid" = verjager.

Perzikkruid (Polygonum persicaria)

Duizendknoopfamilie. Komt algemeen voor. Zie Waterpeper.

Bladeren lijken op die van de perzik.

Giftig: fotosensibiliteit, bloedaandrang, huidvlekken, lever- en nierbeschadiging.

Geneeskracht: In Rusland een huismiddel tegen nierkwalen, diarree, menstruatiemoeilijkheden, uitwendig op bloedende wonden.

Gebruik: Tegen vlooien en ander klein ongedierte.

Keuken: Soms als groente, maar cfr giftig!

[Zwart] Knoopkruid ( Centaurea jacea [nigra])

Composiet. Cfr de korenbloem.

Adderwortel (Polygonum bistorta)

Duizendknoopfamilie. De Nederlandse naam en bistorta

duiden op de slangachtig gebogen wortel.(bis = 2 en tortus = gedraaid)

Knopig Helmkruid (Scrophularia nodosa)

Helmkruidfamilie. Vies ruikende bloemen. De vruchtjes lijken op een Romeinse

helm(cfr de naam). Knopig = knopig gezwollen wortelstok, nodosa = de knopige.

Signatureleer: aambeien. Net als Vingerhoedskruid bevat de plant giftige stoffen die op het hart werken. Uit de plant werd een sterk braakwekkende en purgerende bitterstof gezuiverd. Bij huiduitslag en zweren(Scrofula = zweer) werd de plant aangewend als urinedrijvend middel.

Homeopathie: opgezwollen klieren, eczeem, schurft.

Kruipende Boterbloem (Ranunculus repens)

Ranonkelfamilie. Plaag voor boeren, de plant heeft uitlopers(kruipende!). Iets giftig, het vee laat het staan(als ze het toch eten, dan is de melk bitter en roodachtig).

Nl. naam: kwaliteit van de melk zou verbeteren als men de boterbloem op de uier van de koe stukwreef.

Scherpe Boterbloem (Ranunculus acris)

Ranonkelfamilie. Ook giftig, het vee laat het staan, maar in hooi is het niet schadelijk.

Naam: cfr Kruipende Boterbloem.

Volksgeneeskunde: "wegbranden" van wratten.

Braam(Rubus fructicosus)

Rozenfamilie.

Geneeskracht: diarree, gorgelmiddel, bloedstelpend, brandwonden

Gebruik: voor touw, en verwerkt in manden en bezems.

Keuken: het sap diende om rode wijn bij te kleuren.

Hopklaver (Medicago lupulina)

Vlinderbloemige. Mediké is Grieks voor de luzerne, de 'plant van de Meden', oude volk in het Midden-Oosten. Eerst dus voor Luzerne, maar daarna ook voor verwante soorten. Komt in voedselrijk, droog grasland en wegranden voor, hij brengt stikstof in de grond. Te verwarren met de Kleine Klaver en de Liggende Klaver.

Gewoon Herderstasje( capsella bursa-pastoris )

Kruisbloemige. De vrucht(hauwtje) lijkt op het lederen herderstasje(hartje) van vroeger. Capsella betekent doosje of tasje en bursa pastoris betekent letterlijk tas van de herder. Volksnaam: Lepeltjesdief. Vroeger tegen bloedingen --> Bloedkruid genoemd, de zaden als laxeermiddel. Gorgeldrank tegen keelzweringen.

In Rusland werden de zaden gebruikt als vervangmiddel voor mosterdzaad.

Komt algemeen voor. Witte bloempjes.

Hennepnetel (Galeopsis tetrahit)

Lipbloemige. Bladeren lijken op het blaadje van het samengesteld blad van de Hennep(cfr Nl. naam) en de Dovenetel. Komt op stikstofrijke plaatsen voor.

Galeopsis: galeo en opsis, voor uitzien als een wezel(bloem = wezelkop).

Moerasandoorn(Stachys palustrys)

Lipbloemige. Stachys wellicht van stachos = aar, voor de aarvormige bloeiwijze.

Palustris = moerasplant, cfr Nl. naam.

Hij lijkt op de Brandnetel, daarom ook "Moddernetel" genoemd.

Vroeger als bloedstelpend middel bij verwondingen. De ondergrondse uitlopers zijn te bereiden als asperges of aardappels. De zaden kunnen geroosterd worden of tot meel gemalen.

Grote (of Gewone) Wederik (Lysimachia vulgaris)

Sleutelbloemfamilie. Op vochtige plaatsen. Geel bloementapijt.

Gewone Brunel (Prunella vulgaris)

Lipbloemige. Het Bijenkorfje heeft een blauw bijenkorf-achtig bloempje.

Brunel is een verbastering van prunella, wat gloeiend kooltje(bloemen?) betekent.

Of van het zeer oud Duits "Brunelle"(het kruid wordt in het najaar bruiner van kleur), zodat het bijnamen kreeg in het Frans(brunette, bonette).

Andere bijnaam: pernelleke.

Vroeger gebruikt als gorgelmiddel bij keelaandoeningen, leverstoornissen, ...

Keuken: jonge vruchtjes en bladeren als salade.

Grasmuur (Stellaria Graminea)

Anjerfamilie. Lijkt op de Grote muur, maar heeft smallere bladeren.

Heggedoornzaad (Torilis Japonica)

Schermbloemige. Felle verspreiding door klitachtige(stekels --> naam!) vruchtjes. De stekels zijn hier licht naar boven gekromd en niet met weerhaakjes. Komt bv. voor in heggen(-->naam!)

Goudgele en Witte Honingklaver (Melilotus altissimus, albus)

Vlinderbloemige. Langs rivieroevers. Geneeskrachtig(Trombose bestrijding). Bloemen bevatten veel nektar(cfr de naam honing), bijgevolg veel insekten.

Bevat cumarine(cfr geur pas gemaaid gras). Daarom legden de mensen vroeger gedroogde honingklaver tussen de kleren(frisse geur en tegen de motten).

Bij beschimmeld hooi kan de cumarine in giftig cumarol of zelfs in dicumarol omgezet worden, die zijn bloedverdunnend zodat bloedingen kunnen ontstaan bij dieren.

Een derde gelijkaardige soort is de Citroengele Honingklaver(M. officinalis).

De honingklaversoorten zijn gemakkelijk van klaver te herkennen door hun lange, aarvormige bloeiwijze.

Geneeskunde: bloedverdunners

Moerasrolklaver (Lotus uliginosus)

Vlinderbloemige. 2 + 3 blaadjes samengesteld blad, zoöok de Gewone Rolklaver. De steel van de Moerasrolklaver is hol. De peul is rolrond, dus Rolklaver. De Gewone Rolklaver wordt ook steenklaver genoemd(op ruige steenachtige grond).

Stijve Ogentroost (Euphrasia stricta)

Helmkruidfamilie. Witte(met gele vlek op onderlip) bloemen alleenstaand in de oksels van de bovenste bladeren. Signatureleer: oogziekten, cfr Nl. naam(de Bosogentroost?), ogentroost bevat aucubine.

Glad Walstro (Galium mollugo)

Walstrofamilie. Cfr Lievevrouwbedstro, maar aan het uiteinde van het blad een stekelpuntje.

Echte Valeriaan (Valeriana officinalis)

Valeriaanfamilie. "Valeriana" = gezond zijn ==> geneeskrachtige werking.

Kalmerend middel van de wortel(cfr Valium!), al zeer lang hiervoor gebruikt(Hippocrates). Vroeger gebruikt voor verschillende kwalen, zelfs voor de pest. De bloemegeur trekt katten aan. Op vochtige plaatsen en bosrijke omgeving.

In het biologisch tuinieren wordt de plant aangewend als spuitmiddel dat positief de gezondheid van planten beïnvloedt en de verwerking van afval tot humus stimuleert.

Geneeskracht: bij nerveuze geprikkeldheid, slapeloosheid, en nerveuze maag- en darmklachten.

Heksenkruid: heks verliest haar krachten, wordt er ook door geweerd. Melk die niet wilde boteren werd door een krans van Valeriaan gegoten(was behekst).

Folklore: liefdeshulpmiddel.

Veenwortel (Polygonum amphibium)

Duizendknoopfamilie. In het water, alsook op het land(amphibium). Lijkt op Adderwortel.

Varkensgras (Polygonum aviculare)

Duizendknoopfamilie. Zeer algemeen onkruid, dat ook als pioniersplant op kaal terrein groeit. Avicula = vogeltje, de vogels zijn dol op de donkerbruine tot zwarte vruchtjes.

Gewone Raket (Sisymbium officinalis)

Kruisbloemige. In de Middeleeuwen een stemverbeteraar(zang). Pikant, bij saus voor gezouten vis. Sap bij astmamiddel.

Rode Ganzenvoet (Chenopodium rubrum)

Ganzevoetfamilie. Ruit- spiesvormig blad. Rubrum = rood, slaat op de stengel.

De Witte Ganzevoet(C. album) komt meer algemeen voor. Chenopodium = ganzevoet(vorm bladen).

Echt Duizendguldenkruid(Centaurium erythraea)

Gentiaanfamilie. Centum = honderd en aurum = goud, vrij vertaald het Duizendguldenkruid, omwille van zijn goede eigenschappen(bitterstofgehalte).

Ook: Griekse mythologie, de Centaur Chiron werd door deze plant genezen.

Gebruikt voor spijsverteringsstoornissen, eetlust, slechte maagsapsecretie, ...

Schermhavikskruid (hieracium umbellatum)

Composietfamilie. Gele bloemen die alle lintvormig zijn. Er bestaan verschillende soorten havikskruiden.

Canadese Fijnstraal (Erigeron canadensis)

Composiet. Veel voorkomend langs wegen, afvalhopen, in tuinen enz.

Lievevrouwebedstro(Asperula odorata, Galium odoratum)

Walstrofamilie("sterbladige"). Heeft vierkante stengel. In krans staande bladeren, zie ook het Kleefkruid. De plant bevat cumarine(aromatische vluchtige olie, vaatverwijderend!), cfr de hooigeur, zoals van het reukgras.

Asper = ruw(ruw behaard), en odorata = geurig.

Bestuiving: insekten, zelfbestuiving of d.m.v. de wortelstok.

Boerenwormkruid(Tanacetum vulgare)

Composiet. Bloemhoofdjes van ca. 1cm met gele buisbloemen. Algemeen op zandige plaatsen in ruigten, langs wegen enz.

Nl. naam:

"Boeren": het was een plant die de boeren gebruikten om hun gronden af te bakenen. De gele bloemknopjes staken fel af tegen het omringende groen.

"Wormkruid": afdoend middel om ingewandswormen te verdrijven, zelfs bij vee.

Gebruik: insektenwerend middel.

Hekserij: Rookkruid om heksen en duivels te verdrijven.

Volksgeneeskunde: sproeten, puistjes, huidaandoeningen, kiespijn en oogontstekingen.

Kleurstoffen: bladeren --> groengeel, bloemen --> oranjebruin, wortels --> groen.

Folklore: Verwerven van een man(Slavisch), om 'onderaardse wezens' te belemmeren de plaats in te nemen van het nog ongeboren kind(Schots).

Kruipend Zenegroen (Ajuga reptans)

Lipbloemige. Vrij algemeen op vochtige, grazige plaatsen in bossen.

Ajuga van aguios = met zwakke gewrichten, dus in de oudheid gebruikt bij gewrichtsaandoeningen. Reptans = kruipend, slaat op de uitlopers.

Zene of sene = oud woord = altijd, en slaat op blaadjes die groen blijven in de winter.

De zaden worden door mieren verspreid. Zenegroen bevat looistoffen, dus een oud geneesmiddel. Akkerzenegroen(A. chamaepitys) is veel zeldzamer.

Vlasbek(Linaria vulgaris)

Helmkruidfamilie. Vroeger Vlasleeuwenbek. Vlas omwille van de gelijkenis van de bladeren. Bek: open bloembekje = bek van de leeuw.

Geneeskracht: geelzucht en galziekten(signatureleer, cfr bloemkleur).

Nog gebruikt voor neusbloedingen, inwendige bloedingen en overdadige menstruatie.

Gebruik: cosmetica, insektenverjager, linnenstijfsel(ME)

Grote Kattestaart(Lytrhum salicaria)

Kattestaartfamilie. Vierkante holle, behaarde stengel. Het is een algemene plant van vochtige plaatsen, vooral langs waterkanten. vanwege de bloeivorm wordt het kattestaart genoemd. Lythrum = geronnen bloed, en duidt op de bloedstelpende kracht van de plant. Salix = wilg, naar de bladeren van de wilg.

Geneeskracht: bloedstelpend, diarree, in de ME tegen dysenterie(stelpende looistoffen).

Gebruik: vervalsen van rood goud door de rode kleurstof(cfr Dodoens: "bloedkruid"), looimiddel.

 

B) Bomen, en Struiken

 

Bouw van de boom

Bomen en struiken zijn gewassen waarvan de groeiassen(stammen en takken) verhouten en verscheidene jaren blijven leven. Bij bomen ontwikkelt zich een opgaande stam, bij struiken gebeurt er reeds een vertakking van bij de grond.

De kroon: Het geheel complex van stam, zijassen en takken.

De habitus: Het silhouet van stam en kroon.

Aan de takken zitten de knoppen, dewelke aangelegde takken, bladeren of bloemen die door knopschubben beschermd worden.

Bladkussens: Plaats waarop de knoppen zitten.

Bladmerken: littekens van de vaatbundels van afgevallen bladeren.

Lenticellen: Openingen op de takken of stam(ademhaling).

Een boom onttrekt via zijn wortels voedingsstoffen aan de bodem en via de bladeren aan de atmosfeer. Koolzuur wordt door de bladcellen met behulp van water, bladgroen en zonne-energie omgezet in organische verbindingen. Dit proces noemt men fotosynthese of assimilatie. Het water wordt via de wortels, vooral met de jongste wortelgedeelten, de wortelharen(aan het eind de wortelmutsjes) opgenomen. Vandaar komt het water in vaatbundels en wordt door de worteldruk in de stam omhooggebracht. De voornaamste krachten die het water tot een hoogte brengen van 30 tot 50 m zijn de cohesie in de waterzuil en de zuigspanning ten gevolgen van osmotische drukverschillen. De cellen en weefsels onttrekken aan de sapstroom het benodigde water en zouten voor de chemische omzettingen. Het overtollige water wordt tot in de bladeren opgezogen, daar wordt het voor een gedeelte gebruikt voor de bij de fotosynthese gevormde koolhydraten. Het overtollige water wordt door een speciaal proces, de transpiratie, verwijderd( huidmondjes in de bladeren die kunnen openen of sluiten, oprollen van de bladeren, verdraaien van de bladeren).

De transpiratie is bij loofbomen veel aanzienlijker als bij naaldbomen.

De bladeren bij de naaldbomen worden naalden genoemd, deze hebben een veel kleinere oppervlakte en de verdamping is tot een minimum beperkt. De naaldbomen kunnen zich hierdoor efficiënt aan de omgeving aanpassen(bomen van het noorden).

De stam: Centraal in de stam loopt een smalle mergcilinder, die omgeven is door een samenhangend, uit jaarringen bestaand houtlichaam. Daarop volgt een smalle ring bastweefsel waaruit de bast zich ontwikkelt die de stam omkleedt, deze bast verandert met toenemende ouderdom in schors. Tussen het hout en het bastweefsel bevindt zich een weefsellaag van dunwandige cellen, het cambium. Deze cellen delen zich gedurende de vegetatieperiode intensief en vormen naar binnen houtcellen en naar buiten bastcellen. De jaarlijkse houtvorming kan men zeer goed aflezen aan de jaarringen(voorjaarshout, najaarshout).

Detailonderverdeling van de stam:

Kernhout(dood), spint(levend), het cambium, de bast en de schors. Het centrale deel van het kernhout is het merg.

De wortels dienen om de boom in de bodem te bevestigen, om water met voedingszouten op te nemen en om reservestoffen op te slaan. Ze maken de grond los en bevorderen de verwering van stenige bodemlagen. Daartoe werkt het uitgescheiden koolzuur mee alsook bepaalde chemische stoffen die de minerale deeltjes omzetten. Ook verscheidene bacteriën en schimmels die met de wortels in symbiose leven, dragen er toe bij dat de voedingsstoffen uit de bodem door de wortels kunnen worden opgenomen. De ELS, de witte acacia, de christusdoorn en vlinderbloemigen hebben aan hun wortels knolletjes met bacteriën die de luchtstikstof binden en de bodem met stikstofverbindingen verrijken. De meeste houtgewassen leven in symbiose met schimmels die of met hun schimmeldraden de wortels omgeven of in de cellen van de wortelschors doordringen. Deze vorm van symbiose noemt men de ekto- of endomycorrhiza. Door deze schimmels worden allerlei voedingsstoffen en gecompliceerde verbindingen voor de bomen opneembaar gemaakt. De bomen leveren hun daarvoor weer andere stoffen, vooral diverse koolhydraten. Bij woudbomen treft men vaak symbiose aan met paddestoelen. Zo is het bekend dat bepaalde soorten paddestoelen bijna steeds voorkomen bij bepaalde bomen. Symbiose met zwammen treft men vooral aan op gronden die rijk zijn aan organisch materiaal en onverteerde humus.

Bomen vermeerderen zich in regel op geslachtelijke wijze. Daarbij ontstaat een nieuwe kiem uit het versmelten van de mannelijke geslachtscel(zaadkern van het stuifmeel) met de vrouwelijke eicel. Deze geslachtscellen ontwikkelen zich, ook bij de bomen, in de bloemen.

Bedektzadigen(alle loofbomen): een of meer vruchtenbladen zijn met de stamper vergroeid.

Naaktzadigen(naaldbomen): vruchtenbladen zijn niet vergroeid met de stamper.

 

Witte Paardekastanje (Aesculus hippocastanum)

Paardekastanjefamilie. De wilde kastanje heeft witte bloemtrossen, de bloem krijgt rode vlekjes als ze bevrucht is.

Naam: cfr hoefvorm bij het bladlitteken, maar ook, de Turken genazen dampigheid(kortademige) van paarden door ze kastanjes te voeren.

Winterkenmerk: kleverige knobschubben als bescherming, loopt vroeg uit.

Het hout heeft geen economische betekenis. In de 16e eeuw ingevoerd in Europa vanuit West-Azië en Zuidoost-Europa(Balkan) dr. Dr. Quackelbeen(Vlaming).

Giftig: bladen, schors en zaden(ooit dood van 2 kinderen als gevolg).

Geneeskracht: diverse aandoeningen van het vaatstelsel(spataders, aambeien, ...). De Paardekastanje bevat een stof die tegen UV beschermd(aesculina).

Volksgebruik: een paar kastanjes op zak tegen reuma.

Gebruik:

-De vruchten bevatten veel zetmeel(wild, schapen, varkens ...).

-Gemalen kastanjes als schoonheidsmiddel voor gladde huid en glanzend haar.

-Gemengd in gietwater verdrijft kastanjepoeder wormen bij kamerplanten.

-Uit de bast rode verfstof.

-De saponine, die zich in de kastanje bevindt, voor zeep om kleding te reinigen.

Andere soort is de Rode Paardekastanje die rode bloemtrossen heeft.

Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna)

Rozenfamilie. Werd vroeger veel voor haag gebruikt. Werd verdacht van de perevuur ziekteverwekker. Esdoornachtig blad. De vruchten, "heggeperen", smaken melig(peer), en zijn geneeskrachtig(reguleert hart en zenuwen).

De dorens staan bij de meidoorn altijd in hun eentje en zijn in feite gemodificeerde loten 'takdorens'; ze ontspringen uit knoppen in de bladoksels.

De Tweestijlige(C. laevigata) bevat in de bes 2 zaden, zijn blad is minder ingesneden, en heeft dezelfde eigenschappen.

De Kelten plantten ze rond hun hunebedden.

De Romeinen gebruikten de meidoorn reeds als afspanning.

Rond versterkte burchten vormden ze een goede beschutting(levende prikkeldraad).

De meidoorn symboliseerde Christus' doornenkroon, de bloemen waren zijn wonden.

Hekserij: heksen legden er iets van iemand in om hem te benadelen. Wanneer er een voorwerp van de vijand ingelegd werd, dan kon die geen doel meer treffen.

Volksgeneeskunde: buikpijn, diarree, urineafdrijvend en samentrekkend.

Gebruik: Tijdens W.O. II werden de vruchten tot meel gemalen en tot brood verwerkt.

Het ijzersterke hout werd destijds gebruikt als hakblok waarop onthoofdingen plaatsvonden.

Sleedoorn (Prunus spinosa)

Rozenfamilie. Gedoornde struik, ook veel als heg gebruikt. Prachtig in de lente. De witte bloemen lokken met hun nectargeur de insekten aan. De dorens zijn stekelachtige verhoute twijgjes.

Van de vruchten(blauwzwarte) maakt men jam en wijn(Sleepruim). De vruchten smaken in september nog wrang(Trekkebek = volksnaam), na eerste vorst rauw te eten. Het sap van de Sleepruim is een versterkend middel.

Sleedoorndrupje: 1/2 kg sleedoornbessen, 350gr suiker, 1/4 l water, 1/2 l jenever

Het heeft sterk en hard hout, maar is klein in formaat(wandelstokken,...). Ovaal blad.

Gewone of Hollandse Linde (Tilia X europea, X vulgaris)

Lindefamilie. Bastaard ts Zomer(Grootbladige)(T. platyphyllos)- en Winter(Kleinbladige)(T. cordata) Linde. De Linde was een heilige boom. Hij werd ook als schaduwboom gebruikt. Hij werd bij elke nederzetting aangeplant(schutsboom).

De linde was de geliefde plaats van Freya(godin van huishoudelijk geluk en trouw).

Later verkerstend door het ophangen van een Mariakappelletje.

Ook gekend is de lindethee(verkoudheid). Lindehout is geschikt voor snij- en draaiwerk. De Gewone Linde wordt door bladluizen bezocht, daarom vervangen door de Zilverlinde(T. tomentosa), waarvan de bladeren in de herfst ook langer groen blijven.

Geneeskunde: koorts, griep. Homeopathie: reuma, hooikoorts, allergische uitslag.

Winterkenmerk: 2 rijig geplaatste van rode tot groen knoppen, jonge scheuten onderaan de stam.

Vroeger: recht gesproken onder lindeboom, huwelijk onder lindeboom. Lindebast was een hamulet en vezels ervan tevens voor touwen. Symbool van de gastvrijheid.

Zomereik (Quercus robur)

Beukenfamilie. Robur = stoer. Heilige boom bij Kelten en oude Germanen(gewijd aan Donar). Bestuiving door de wind. De eikels werden vroeger als varkensvoer gebruikt, alsook als koffie- of kakaosurrogaat.

Ezelsbruggetje: Z van zonder steel of Zittend blad, dit in tegenstelling met de slankere Wintereik(Q. petraea) die veel minder voorkomt. Bij de zomereik heeft de eikel dan weer wel een steel("pijpje") en niet bij de Wintereik. Eikeschors bevat looizuur of tannine(leder looien). De eik heeft een uitgebreid en diepgaand wortelgestel, dit in tegenstelling met de beuk. Het hout is zwaar en hard, economisch belangrijk.

De Moeraseik(Q. palustris) is afkomstig van N. Amerika en komt meer op moerassige bodem voor(Fel ingesneden gelobde bladeren). De Amerikaanse eik (Q. rubra) heeft ook spitstandige gelobde bladeren, maar minder diep ingesneden als de Moeraseik.

Geneeskracht: huidontstekingen en bevriezingsverschijnselen.

Druïde = de wijze van de eik, de maretak groeide zelden op de eik, deze combinatie werd hartstochtig gezocht.

Folklore: de eik stond bij Kelten, Germanen , Grieken en Romeinen in hoog aanzien.

--> midzomervuur(geëvolueerd naar de paaskaars), midwinterfeest, orakelboom

Hekserij: Walpurgisnacht(1mei), de heksen verbleven de hele nacht rond een eik.

Giftig: Vooral de jonge bladeren en de groene eikels zijn giftig. Varkens hebben er geen probleem mee.

Gelderse Roos (Viburnum opulus)

Kamperfoeliefam., bloei V-VI. Op tamelijk vochtige bodem en bossen(bv. Gelderland --> naam). Heeft een esdoornachtig blad.

Zwarte, Grauwe of Witte Els (Alnus glutinosa, incana)

Berkenfamilie. Ovaal blad. Oranjerood sap ==> vroeger gevreesd, de els was de belichaming van de kwade geest. Elzehout is goed te verwerken(Vb. klompen).

De knolletjes op de wortels bevatten stikstofbindende bacteriën, zie ook de vlinderachtigen.

De Zwarte Els(omgekeerd eironde bladeren (kleverig = Glutinosa )) komt op vochtige plaatsen voor en algemeen in bijna geheel Europa. Dus komt veel in moerasgebieden voor, en hierdoor zijn er dan ook veel legendes en verhaaltjes. Vroeger als oeverversteviger. Zwart, voor de donkere twijgen en takken.

De Witte Els(verspreid eivormige bladeren) is vooral aangeplant en is in de eerste plaats een houtgewas van Noord-Europa.

Winterkenmerk: gespreide paarse knoppen.

Elzeproppen = houtige vruchtenkegels met kleine nootjes.

Bij wegkappen van het elzenstamhout vormt zich dichte begroeiing, het zogenaamde hakhout. Het hout van de Zwarte Els is geschikt voor waterbouwwerk( ook potloden)

Dwaallichtjes: Elzen staan meestal in moerasgebieden, en rottende stukjes hout geven licht, zodus .... spokenboom en dwaallichtjes.

Sap: bloedrood -->ongedoopte zieltjes, vagevuurzielen, verdoemden, ...

Inlandse en Amerikaanse Vogelkers (Prunus padus, serotina)

Rozenfamilie. Ook troskers genoemd. De vruchten zijn gegeerd door vogels. Ze bevatten veel looizuur(tannine), smaakmaker bij brandewijn en wijn(alleen inlandse?).

De bloemknoppen, de verse bladeren en de jonge schors bevatten blauwzuur.

De Amerikaanse heeft meer leerachtige bladeren en wordt fel verspreid, en daarom ook bospest genoemd. Het vrijgemaakte hout riekt onaangenaam naar bittere amandelen. Mieren bezoeken de nektarkliertjes(extrafloraal=buitenkant bloem ) en behoeden de plant tegen insektenvraat.

Het hout van de Amerikaanse zou waardevoller zijn, maar de boom bereikt hier niet zijn normale grote. De bladeren zijn langwerpig.

Wilde Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

Kardinaalsmutsfamilie. Langwerpig blad. Rozerode vierlobbige vruchten ==> Kardinaalsmuts(wordt bezocht door Roodborstjes ==> "roodborstjesbrood" in Duitstalige land). Vroeger werd er van de bladeren en vruchten een poeder gemaakt om de luizen te bestrijden. De vruchten wekken braken op. De stengel lijkt vierkantig, maar dit komt door de ribbels.

Papehout = kardinaalsmutshout voor het maken van klossen.

De Gewone of Esdoornbladige Plataan (Platanus X hybrida)

Esdoornfamilie. Esdoornachtig blad. Geen last van luchtvervuiling(zou zelfs stof absorberen), dus veel aangeplant, maar heeft wel vruchtbare bodem nodig. De schors laat geregeld in grote plakkaten los. De Plataan is een bastaard ts de Westerse en de Oosterse Plataan(Hovenier v. Karel I in de 17e eeuw).

Populier(Populus ...)

Salicacae. Soorten:

-Canadapopulier: achtkanters, ingevoerde houtproducent.

-Italiaanse populier: windschermboom

-Ratelpopulier

-Balsempopulier: heeft kleverige bruine was(balsem)

Beuk (Fagus syulvatica)

Beukenfamilie. Vooral op zware, kalkrijke grond. Vroeger alleen aangeplant door welgestelde personen, de eik was de boom van de "gewone" man. De beuk heeft een gladde, grijze bast. De schors is tamelijk dun en daardoor is de beuk vatbaar voor "zonnebrand"(cfr wandeling). Vroeger werden varkens in beuken- en eikenbossen gehoed(beukenootjes, eikels). Het hout is hard en gebruikt o.a. voor meubels, parket en cellulosewinning. Eivormige bladeren.

Er komt weinig zonlicht door de kronen, met weinig of geen ondergroei als gevolg. De beukenblaren vergaan slecht, zeker in de zure zandgrond. Weinig humus wordt dan gevormd. Ze vormen ook een gifstof, waardoor jonge beukebomen en andere planten in groei belet worden. Het hout heeft geen geur, noch smaak, en wordt daarom in keukenvoorwerpen verwerkt. De vruchten zijn de beukenootjes, en was vroeger een voedselmiddel(olie), in grote hoeveelheden echter giftig. 100kg nootjes leverden 20 l consumptie olie op.

De boeken werden vroeger gedrukt met de houten lettertjes van de beuk. Zie hier nog het Duitse woord Buch dat zowel voor beuk als boek geldt.

Folklore: Een beukeboom zou nooit door de bliksem getroffen worden, omdat het kruis van Christus uit beukehout zou vervaardigd zijn.

Cultivars: bruine- en treurbeuk.

Veldesdoorn of Spaanse Aak (Acer campestre)

Esdoornfamilie. Esdoornachtig blad(5-lobbig), maar afgeronder. De vleugels van de zaden(splitvrucht) staan bijna op een rechte lijn(horizontaal). Het is ook de enige echte inlandse Esdoorn. Liefst op kalkhoudende, vochtige grond. De bladsteel geeft mij lostrekken melksap. Het hout is hard(meubels, houtdraaierij). Het wortelhout heeft een mooie tekening(pijpen).

Gewone Esdoorn(Acer pseudoplatanus)

Esdoornfamilie. Economisch de belangrijkste esdoorn. De Esdoorn heeft een volledige bloem. De vleugeltjes van de splitvrucht staan onder een scherpe hoek zoals bij de Vederesdoorn(bij de Noorse esdoorn onder een stompe hoek). In de herfst zijn de 5 lobbige bladeren citroengeel.

Pseudoplatanus: de buitenste schors laat in grote platen los, zoals de plataan.

Het sap van de esdoorn bevat veel suiker(Cfr gebruik bij de Indianen tijdens de winter)

Tulpeboom (Liriodendron tulipifera)

Tulpeboomfamilie. Dit is een boom afkomstig van Noord Amerika. Voor de ijstijd kwam hij ook in Europa voor. Zijn rechte stam werd gebruikt om kano's te maken. De bevruchting gebeurt door kolibries, en het hout werd gebruikt om kano's te maken(rechte stam). De bladeren en bloemen lijken op die van de tulp.

Het lichte hout wordt gebruikt voor fineer en muziekinstrumenten.

Haagbeuk (Carpinus betulus)

Hazelaarfamilie. Ovaal blad. Boom is uitstekend geschikt voor hagen, nl. goed te snoeien en behoud zijn bladeren tot de volgende lente. Het hout is bestand tegen zware klappen(hakblok, hamers, vloeren).

De bladeren zijn langwerpig eirond. Eenhuizige windbestuiver.

De haagbeuk is een geliefde plaats voor meikevers.

Gewone (of Gladde) Iep of Olm (Ulmus minor)

Iepenfamilie. Ovaal asymmetrisch blad. Windbestuiving. Berucht is de Iepziekte (schimmelziekte overgebracht door een iepenspintkevertje, die sluit de sapkanalen).

De Ruwe Iep(U. glabra) of Bergiep, of Gewone Veldiep heeft een grijze schors met lange groeven. De Wheatleys(of Monumentale) Iep(U. carpinifolia) heeft een bruine bast met diepe groeven en lijkt op kurk(meer verspreid). Het Iepenhout(Ruwe) is speciaal duurzaam wanneer het vaak nat wordt(Vliegtuigbouw, waterbouwkunde, wagen- en meubelmakerij, watermolenraderen).

Ulmus = ?, carpinifolia(vroeger) = bladeren als de haagbeuk.

Geneeskracht: gewrichtspijnen van handen en polsen.

Ruwe Berk (Betula pendula)

Berkenfamilie. Driehoekig blad. Vroegbloeier. Rechte, zilverwitte stam. De gemakkelijke zaadverspreiding samen met bescheiden eisen maakt de Berk tot een belangrijke bospionier, hij verdraagt zowel vorst als zonnehitte. Berketakken werden gebruikt om de kwade geesten te verjagen. Een volwassen berk kan tot 500 liter water per dag verdampen. De Berk komt algemeen voor. De Berkenboleet leeft in symbiose met de wortels van de berk. De Berkenzwam leeft vooral op dood berkenhout, veroorzaakt houtrot en daardoor snelle vertering.

De Ruwe Berk heeft onbehaarde, wrattige twijgen. De Zachte Berk(B. pubescens) met roodbruine schors is een tweede soort bij ons, en heeft behaarde twijgen.

Ook Zilverberk, cfr de glanzende witte bast.

Pendula = hangend, voor de hangende takken.

Berken worden langs bosranden aangeplant, ze stremmen een vuurhaard, het berkehout is dan ook ideaal voor de open haard.

Geneeskracht: waterzucht, nier- en blaasaandoeningen, reuma, jicht, bloedzuiverend.

Kelten: op 1 mei ritueel vuur voor Beltain met berken, symbool voor letter B, symbool voor eerste stap naar priesterschap(bard)

Middeleeuwen: symbool van zuiveringsproces, kwaadverdrijver

Berkenolie(uit hars) werd vooral in Rusland gebruikt v oor lederbewerking.

Heksengebruik: Vooral in berken kan men nog heksenbezems zien zitten, een takwoekering waarvoor de heks verantwoordelijk moet zijn. heksenbezems worden veroorzaakt door een zwam. Deze dringt met zijn schimmeldraden door in de cellen van de berkeschors, wat tot infectie leidt, waardoor dan die abnormale takvorming ontstaat.

Sporkehout of Vuilboom (Frangula alnus)

Wegedoornfamilie. Ovaal blad, van groen, via rood naar donkerpaarse bessen.

Houtskool ervan werd als buskruit gebruikt. Bessen en schors als braakmiddel. Laxeermiddel uit de gedroogde bast(Vuilboom= ook onaangename geur van de bast). Uit de schors werden de gele en bruine kleurstof gemaakt. Van de twijgjes kan zeer goede houtskool gemaakt worden welke verwerkt werd in buskruit. De twijgjes werden ook verwerkt in manden. Gespleten twijgjes om de pijpen aan te steken.

Op de bladeren leeft de rups van de citroenvlinder.

Frangula komt van frangere = breken, de takken breken gemakkelijk af en vormen dan sprokkelhout oftewel 'Sporkehout'.

Giftig: bessen, bast en bladeren. Dodoens raadde verkeerdelijk het eten van bladeren aan voor koeien om de melkproductie te verhogen(remt!).

Gewone Vlier (Sambucus nigra)

Kamperfoeliefamilie. 5 (tot 7)- tallig oneven geveerde bladeren. Op stikstofrijke grond. Van de bessen kan men wijn en jam maken, die rijk zijn aan vitamine C.

Flierefluiter: Merg eruit halen ==> holle twijgjes = fluitje (of "flakkerbuis").

Merg = zacht materiaal, als reinigingsmiddel gebruikt(vroeger) of als vlierpit(lampen).

Geneeskrachtig: hoest-, en laxeermiddel(etherische olie), nachtelijk zweten. De rijpe bessen werken bloedreinigend en maagversterkend. Warme vlierbessenwijn bestrijdt de verkoudheid. De verse bast is urineafdrijvend en goed voor jicht en reuma.

Verfrissende drank als de bloemen versnipperd worden in suikerwater.

Giftig: verse schors, verse bladeren en onrijpe bessen.

Kleurstoffen: schors --> zwart, blad --> groen, bloemen --> blauw of paars. Judasoor(houtzwam) vooral op de Vlier.

Kon onheil(bij Kelten en Germanen) en vliegen verjagen.

Vederesdoorn (Acer negundo)

Esdoornfamilie. Geveerde bladeren( 5-7 oneven geveerd). Ingevoerd vanuit Noord Amerika. Er bestaan veel cultivars van. Het sap van de meeste Esdoorns bevat suiker. Het hout heeft geen economische waarde.

Hazelaar (Corylus avellana)

Hazelaarfamilie. Ovaal blad. Hazelaartakken(tenen) werden in verschillende toepassingen gebruikt(primitieve vaartuigen, lemen hutten, manden, ...)

Hazelnoten zijn een geliefd voedsel. In februari vallen de rupsvormige katjes op.

Deze heester behoort tot de oudste bloeiende planten(windbestuiving!).

De hazelnoten leveren per 100gr 620 kcal.

De naam komt van een oud Germaans woord koselo --> Corylus bij de Romeinen.

De hazelaar vormt een symbiose met bepaalde zwammen.

De hazeltwijgen speelden vroeger een belangrijke rol in het volksgeloof(wichelroeden, spits roede lopen).

Hondsroos (Rosa canina)

Rozenfamilie. Struik, de meest voorkomende wilde roos. Rosa canina = Hondsroos.

De vruchten, rozebottels, vormen een vit. C bron (thee) ==> "sinaasappel van het noorden". Urinedrijvend middel bij nier- en blaasstenen, ook bloedzuiverend.

Robinia of Witte Acacia( Robinia pseudo-acacia)

Vlinderbloemfamilie. Oneven geveerde bladeren. Afkomstig van Noord Amerika. Robinia van 17e eeuwse Franse hovenier(Robin). Geen familie van de Acacia, de bladeren lijken er wel fel op. De Witte Accacia heeft een machtig wortelstelsel waaraan zich luchtstikstof bindende knolletjes bacteriën bevinden.

Kruidvlier (Sambucus ebulus)

Kamperfoeliefamilie. Kruidachtige vlier.

Tamme Kastanje (Castanea sativa)

Beukenfamilie. Afkomstig van de Middellandse Zee, ingevoerd door de Romeinen. De vruchten zijn eetbaar(pollenta = pap). Langwerpige, leerachtige en scherp gezaagde bladeren. De kastanjes(pas na 35 jaar!) zijn smakelijk, worden in de banketbakkerij gebruikt(beperkt houdbaar meel), maar ook als consumptienoot(al of niet geroosterd of gekookt) verkocht. Vorstgevoelig en kalkmijdend. Sativa = aangeplant.

Geneeskracht: hoest en kinkhoest.

Wilde Lijsterbes (Sorbus aucuparia)

Rozenfamilie. Geveerde bladeren. Lijsterachtigen en andere vogels zijn verzot op de bessen(Vitamine C), de latijnse naam wijst erop dat ze gebruikt werd om vogels te vangen. Dit is echter geen echte bes, het zijn vuurrode vruchten. Er werd een kruis van gemaakt om heksen te bestreden te samen met een bezweringsspreuk. Men maakt van de vruchten compote, marmelade en likeur, te veel rauw zijn ze wel laxerend(blauwzuurverbinding!) (deze werking verdwijnt bij het koken).

Het hout is niet duurzaam (omheiningspalen).

Folklore: Geestelijken aten vroeger wel eens een paar lijsterbessen vooraleer een preek te beginnen.

Libanonceder (Cedrus libani)

Naalden in rozetten. Ceder werd veelvuldig gebruikt voor de tempel van Salomon(==> woestijn). Duurzaam, welriekend hout.

Rode Kornoelje ( Cornus Sanguinea)

Kornoelje familie. Veelal op kalkrijke grond. De naam dank zij de rode takken en bladeren in de herfst(sanguinea is bloedrood). De vruchten(bessen) zijn fel in trek bij de vogels(lijsterachtigen). Normaal bestuiving door insekten, maar als deze achterwege blijven, dan buigen de meeldraden van de ene bloem zich over de stempels van een naburige bloem. Harde houtsoort(draaiwerk). Giftige vruchten("duivelsbessen").

Taxus(Taxus baccata)

Taxusfamilie. Inlandse soort. Ook Venijnboom, en vroeger ijf genoemd.

Toxon = Grieks voor boog, taxustakken werden voor bogen gebruikt.

De druïden vereerden de Taxus als heilige boom. In de middeleeuwen was er zeer veel vraag naar haar hout, dus sterk in aantal teruggelopen(langzame groei).

De Taxus is tweehuizig, de rode vruchten(giftig!) dus alleen bij de vrouwelijke bomen.

De naalden zijn giftig vooral voor paarden(pijlgift bij onze voorouders). Het woord toxisch is van taxus afgeleid.

Tegenwoordig wordt de taxus in de kankerbestrijding gebruikt.

Deze boom kan zeer oud(1000 tot 3000 jaar) worden.

Schietwilg (Salix alba)

Wilgenfamile. De schietwilg is de veelvuldigste van Europa. De bladeren zijn smal lancetvormig, aan de rand klierachtig en fijn gezaagd en de onderzijde viltig. Groeit in vochtige bodem(alsook populieren en elzen). Het hout is zacht, licht en elastisch(manden).

De treurwilg is een variëteit van de schietwilg. De zwarte wilg lijkt op de schietwilg.

Kraakwilg (Salix fragilis)

Wilgenfamilie. Ook over bijna geheel Europa verspreid. Bladeren lancetvormig, meestal in de onderste helft het breedst, de onderzijde is blauw-groen, de randen zijn gezaagd. De zijtakken zijn broos en breken gemakkelijk af(Kraakwilg!). =Knotwilg?

De kraakwilg kruist vaak met andere de wilgesoorten.

Boswilg (Salix caprea)

Wilgensoort. Komt meer en veelvuldig in bossen voor(Boswilg). Brede eivormige bladeren. In tegenstelling tot de andere soorten is de Boswilg een pioniersgewas. De ruitvormige lenticellen vallen op(ademhaling in de schors).

Gewone Es (Fraxinus excelsior)

Olijffamilie, verwant aan sering en liguster. Bladeren oneven geveerd, 20-35 cm lang, samengesteld uit 9-13 lancetvormige, toegespitste, scherp gezaagde blaadjes. Op meer vochtige bodem(rivierdalen). Windbestuiving van de zeer nietige bloemen. De vruchten zijn opvallend gevleugelde nootjes in bundels. Zwartfluwelige bladknoppen( 2 aan twee 90 graden gedraaid) = "Bokkepootjes".

Evolueert van 1 naar 2 huizig(Cfr voorbeeld aan Bobine).

Excelsior betekent hoog verheven, hij kan zeer hoog doorschieten.

Het harde veerkrachtige hout wordt gebruikt voor sporttoestellen, gereedschap.

Vroeger bv. voor de speerschachten van de landsknechten.

Grove Den(Pinus silvestris)

Dennenfamilie. Ook Pijnboom genoemd. Pioniersboom. Het zwavelachtig stuifmeel kan voor verwarring zorgen. Niet inheems, maar aangeplant. Hij heeft een diepgaande paalwortel en een sterk vertakt wortelsysteem(Windscherm).

Den: de "d" van "deux" --> tweenaaldig. Bij dennen staan de naalden in bosjes van 2,3 of 5

soorten

-Grove den: niet duurzaam hout, maar wel als bouwhout("grenehout")

-Parasolden: zaden verwerkt in suikerij

-Corsicaanse den: houtproducent, rechte stam

-Zeeden: hars voor terpentijn.

Fijnspar (Picea abies(excelsa))

Dennenfamilie. Gebruikt als kerstboom. Het zaad ligt naakt aan de voet van de kegelschubben, geen stempel, stamper, en vruchtbeginsel, dus naaktzadige(naaldbomen)

 

C) Zwammen

Glimmerinktzwam (Coprinus micaceus)

Glinsterende puntjes bij schuin invallend zonlicht(glimmer), zijn de resten van het algemeen omhulsel.

Eetbaar zolang de hoed nog tegen de steel aangedrukt is.

Platte Tondelzwam of Tonderzwam(Ganoderma applanatum)

Groeit op boomstronken en levende bomen als parasiet. Verscheidene jaren achtereen vormt hij jaarlijks een nieuwe randzone. Werd vroeger poeder van gemaakt voor de tondeldoos(vuuraansteker).

Oneetbaar.

Oesterzwam (Pleurotis ostreatus)

Op beuk of populier, maar komt ook op boomstronken voor(minder vruchtenlichaam).

Eetbaar.

Honingzwam(Armillariella mellea)

Een gevaarlijke parasiet, veroorzaakt houtrot. Er zijn diverse ondersoorten.

Jong eetbaar, maar zwaar verteerbaar.

Ruig Elfenbankje (Trametes hirsuta)

Het groeit vooral op loofhout(beuken). Het (gewoon) Elfenbankje wordt in bloemstukken verwerkt.

Oneetbaar.

[Grote Stuifzwam] Reuzenbovist(Langermannia gigantea)

De Reuzenbovist is een enorme Stuifzwam(buikzwam).

De vrijkomende sporen kunnen een oogontsteking veroorzaken(spelende kinderen!).

Jong eetbaar, als hij van binnen nog wit is.

Witte Bultzwam(Pseudotrametes gibossa)

Deze dikke houtzwam heeft een kurkachtige weefselstructuur. Komt vooral op dood beukehout voor. Kenmerkend is de vaak door algen groengekleurde bovenzijde.

Familie van het Elfenbankje.

 

D) Mossen, Varens

Haarmos (Polytrichum Formosum - Commune))

Fraai en Gewoon Haarmos.

Merk bij het Gewoon haarmos de talrijke lichtbruine steeltjes op, die een doosje met een strogeel huifje dragen. In dit doosje zitten de sporen.

De mannelijke en de vrouwelijke plantjes staan apart. Het haarmos heeft hydrostatische blaadjes, bij droogte staan ze toe. Het haarmos is het meest geëvolueerde mos. De stengels hebben ook een sapstroom. Mossen zijn pioniers, waarbij het voedsel uit de lucht gehaald wordt. Bij het afsterven vormen ze een humuslaag welke als basis dient voor andere plantensoorten. Het vrouwelijk bloempje heeft een behaard huikje(topkapsel, caleptra), hetwelk afvalt, waarna ook het dekseltje afvalt, daarna kunnen de "tandjes" zich als een diafragma openen waarbij de sporenvrij komen.

Het mannelijk plantje heeft spatbekertjes, het sperma spat eruit en "vloeit" naar de vrouwelijke plant. Dus ons haarmos is een 2-huizig mos (M/V apart), zie ook weer ons meest geëvolueerd mos.

Haakmos (Rhytidiadelphus Squarrossus)

Komt veel voor in gazon, de blaadjes zijn naar beneden gericht.

Gewoon Sterremos (Mnium Hornum)

Fam. van de bladmossen. Zeer algemene soort in bosterrein, in gestoorde laagvenen en rietland.

Gerimpeld Boogsterremos (Plagiomnium Undulatum)

Bladmosfamilie. Algemeen op vochtige plaatsen, in bossen en kalkrijke binnenduinen.

Bladen met klein stekelpuntje, doorschijnend lichtgroen en gerimpeld.

Gewoon Puntmos (Calliergonella Cuspidata)

Zeer algemeen op natte, niet te voedselrijke grond. Plant vrij regelmatig geveerd vertakt, met opvallende topspitsen. Geelgroene bladen aan de top ineengerold.

Muurvaren (Asplenium ruta-muraria)

Zeldzaam, behalve op kalkhoudend, stenig substraat.

Vroeger als kruidengeneesmiddel gebruikt tegen Engelse ziekte(rachitis of scheurbuik). Splen = milt, in de oudheid voor miltziekte, als hij genezen was voelde hij die niet meer, Asplenium = geen milt. Ruta-muraria = breekt muren open.

Brede Stekelvaren (Dryopteris Dilatata)

Algemene soort in loof- en naaldbossen. In omtrek vaak driehoekig.

Mannetjesvaren (Aspidium filix-mas)

Kan met zeer zwak licht nog levensvatbaar zijn(dicht bladerdek). Energieopslag in de ondergrondse wortelstok, dus komt vlug naar boven. Filix = varen, mas = mannelijk.

Geneeskracht: verdrijving van ingewandswormen. De scheuten zijn eetbaar als spinazie.

 

E) Grassen

Tengere Rus (Juncus tenius)

Russenfamilie(Juncaceae). Vochtige bospaden, heidevelden. Ingevoerd uit N. Amerika.

(Gewone) Glanshaver of Frans Raaigras(Arrhenatherum elatius)

Grassen(Gramineae). Algemeen, vruchtbaar hooiland, wegkanten. Hooigras, groeit snel. Geslacht naam = mannelijk aar of kaf, elatius = verheven.

Zwarte of Gewone Zegge (Carex nigra)

Cypergrassen(Cyperaceae). Algemeen op vochtige plaatsen, in grasland, langs oevers en in duinvalleien.

(Gewone) Kropaar (Dactylis glomerata)

Grassen(Gramineae). Waardevol voedergras, veel gekweekt.

Oeverzegge (Carex riparia)

Cypergrassen(Cyperaceae). Vrij algemeen langs waterkanten en in laagveenmoerassen.

Riet (Phragmites australis)

Grassen(Gramineae). Zeer algemene soort, in moerassen, vochtige bossen en akkers, natte duinvalleien, langs waterkanten, ook op zilte grond.

Phragmites = afscheiding, verschansing(van riet gemaakt).

Riet heeft een duidelijke "knak" in het blad = "duivelsbeet", eigenlijk een versteviging.

Gebruik: groenbemester, dakbedekker, oeverversteviger en verlandingspionier.

Riet is ook waterzuiverend.

Gewoon Struisgras(Agrostis capillaris)

Grassen(Gramineae). Zeer algemene plant, in weiden, bossen, bermen, ook in hoogveen. Zeer geschikt voor sportvelden en gazons.

Gestreepte of Echte Witbol (Holcus lanatus)

Grassen(Gramineae). Zeer algemene soort, op allerlei zand- en veengronden, op open bosterrein, bemeste, maar slechte hooilanden.

Ruige Zegge (Carex hirta)

Cypergrassen(Cyperaceae). Algemeen op grazig terrein, langs wegen en paden, zelfs tussen plaveisel. Driehoekige, volle stengel, waaiert uiteen.

Geknikte Vossestaart (Alopecurus geniculatus)

Grassen(Gramineae). Zeer algemeen op vochtige stikstofrijke plaatsen.

Scherpe Zegge(Carex acuta)

Cypergrassen(Cyperaceae). Verspreid voorkomend, aan waterkanten, moeras, elzenbroekbos, duinvalleien.

Zeegroene Rus (Juncus inflexus)

Russenfamilie(Juncaceae). Giftig voor vee! Langs slootkanten, in vochtige weiden en langs wegen vrij algemeen.

 

F) Vogels

Het woord vogel.

Etymologie onduidelijk, wellicht hangt het samen met vliegen en vleugel(dier met vleugels), en misschien ook met spitssnavelige.

Vogeltermen:

Veer: pluim, veder. Vleugel: bout, slag, slager, vleer, vlerk, wiek, vleugel, zwing, ...

Kuif: aigrette, hoppe, hupette, kam(metje), kap(je)

Snavel: bek, pikker, ...

Staart: kodde, steirt, stuit, ...

Staartveren: gatpluimen, koddepluimen, pennen, roerpennen, slagpennen, ...

Ruien: ruiven, in de rui zijn, vermuiten, verpluimen

Groep vogel: bende, bol, klad, troep, ...

 

Wilde Eend (Anas platyrhynchos)

Eenden. De meest algemene soort van onze streken. Grondeleend. Zeer algemene eend, maar toch prachtig veerkleed.

Eend en Anas = watervogel? cfr a-nare = 'zwemvogel'

Platyrhynchos = met platte bek.

Volksnamen: Bosenze(Waas), Erpel, Blokeend(Blok = groot), Winder, Goele (Keltisch, jammeraar of van de roep = goele ... lokken!), Jenze(Waas).

Woerd = elper, erpel, aarpel, wenger(Brab.), wender, wenderik, woender, maskelier, masselaar, massel.

Koolmees(Parus major)

Mezen. De grootste soort van de mezenfamilie. De zwarte middenstreep bij de mannetjes valt op. Zeer gevarieerd voedsel.

Mees : van meisa, zou met 'iel' te maken hebben = klein van stuk

Parus major = grotere Parus(?)

Volksnamen: Kee(r)sgat, Keesmus, Dobbele kees(mus), Kezemees(VK), Ossenbolleke(?), Bijmuske, Koordemus, Geespook, Steekmees, Slagmees, Plakker, Brandmees, Kiëskaat(Hasselt, kaat v. kijt = mees),.

Bieteut (AK)(Klanknabootsend of: Koolmees zou i/d winter op de dode bijen en op larven van wasmotten hazen, en de overlevering zegt zelfs levende bijen. Teut = bv. v. koffiepot, de Koolmees zit a/d teut van de biekorf te tikken. Of teut = tsi-terr ==> bietuet)

Roodborst(Erithacus rubecula)

Roodborst. Vrij tam, agressief(tegen soortgenoten) vogeltje.

Wet. naam: Erithacus = ?, rubecula = kleine rode.

Volksnamen: Pietepover, Roodpover, Reubostje, Pietje Pover, Roodbaardje(V.K.), Bruinkeel, Pitje Robaard, Roodkeesje, Wijnstemperke, Pover Jantje, ...

Torenvalk(Falco tinnunculs)

Roofvogels. Een bv. langs autowegen 'biddende' Torenvalk trekt veelal de aandacht.

Wet. naam = schel klinkende valk. Torenvalk: rust en nestplaats in torens(steen).

Volksnamen:

Limburg: torenvalkske, toerevalk, toonvalk, klamper, sperrever, kleine stootkop

Limb. Kempen: muizenvanger, zwemmer(cfr bidden)

Muizenpakker, muizenklamper(W. 11,12 '45)

Tuinfluiter(Sylvia borin)

Zangers. Vooral in struikachtige begroeiing. Zomergast.

Wet. naam: 'borin' bosvogel.

Volksnamen: Spaanse Kwert(A.K.), Bremkwert, Kwetter, Spaanse hagerudde

Meerkoet( Fulica atra)

Bleshoender. Witte bles. Algemene broedvogel van open water.

Fulica = ?, atra = glansloos zwart. Nl. naam: meer = biotoop, koet = klanknabootsing.

Volksnamen:

Zwart Waterkieken(Wijn.), Witbek(Turnh.), Meerkoot(Kemp.), Koet(Wijn.), Bleshoen(Limb. Kempen).

Limb.: Meerkoet, meirpoel, blutshin, bleshin.

Meerkol ook voor Vl. Gaai(cfr Vl. gaai). Marol(Lokeren).

Meerkraai, waterkraai, Roetaard(cfr Vl. Gaai) naar de kleur van kraaien.

Waterklok(Turnh.), Koevoelje, koete(cfr waterhoen).

Waterhoen(Gallinula chloropus)

Bleshoender. Algemene watervogel. Het nest is een tussen oeverplanten gebouwd platform. Wet. naam = groenpotig kipje.

Volksnamen:

Limb.: Waterkieken, duukeintsje, waterhinneke(Hasselt), ...

Waterkraai(Turn.). Waas: krodde, waterkieken ook in de Voorkempen.

Waterhen, koete, koevoelje, lishoentje, lusheunke(Limb.)

Grote Bonte Specht (Dendrocopus major)

Karakteristiek, snel geroffel. Nestgat is groot ovaal(tot 15cm). Eet zaden en insecten.

Ongeveer 10 tikken per seconde. Roep = luid en herhaald 'tsik'.

Wet. naam: Grotere boomhakker.

Volksnamen: Bontspecht, Boomspecht, Steenspecht, Halfspecht(< Groene S.), Bloedspecht en Bloemspecht(Voorkempen)(naar de kruin), ...

Kleine Bonte Specht (Dendrocopus minor)

Iets groter als een spreeuw. Vrij zeldzaam. Elke roffel is zachter en duurt langer(ca 2 sec.) dan die van de Grote Bonte Specht(15 tikken per sec.).

Wet. naam: Kleinere boomhakker.

Volksnamen: Bloemspechtje, Kleine Bloemspecht(VK), Kleine Bloedspecht

Groene Specht ( Picus viridus)

Zijn biotoop is open loofbos. Eén van de 4 voorkomende in Schilde Park.

Roep = 'kjuu-kjuu-kjuu', roffelt zelden. Wet. naam = groenachtige specht.

Volksnamen: Houtspecht, Klopper, Meerts Veulen(activiteit in maart), Waterspecht(Antw. kempen)(roep klinkt voor een regenbui), Goudspecht, Houthouwer, Bosveulen, Specht, ...

Zwarte Specht (Dryocopus martius)

De grootste specht van Europa. Vrij zeldzame vogel, in Schilde Park aanwezig. De beuk waar zijn broedhol in was is begin augustus '97 omgezaagd!

Wet. naam: aan Mars gewijde boomhakker.

Volksnamen: In Vlaanderen?: St. Maartensvogel(van Mars afgeleid), Roodkop, Spechtkraai

Blauwe Reiger ( Ardea cinerea)

Reigers. Broeden in kolonies, het nest is een hoog in een boom gelegen platform.

Grote sterfte mogelijk tijdens strenge winter.

Ardea = ?, van Erodius = Grieks voor Reiger. Cinerea = asgrijze.

Reiger van het Oudgermaanse 'kraig' = klanknabootsing voor het krijsen.

Volksnamen: Reeger(Hasselt), Re[i]gel(Brab., Limb.), Reigere(Lok.), Lepelair(Maasmechelen), Visreiger, Aalreiger, Vishouwer(Limb.)

Feldwebel(Wijnegem), cfr WOI, voor het grauwe verenpak.

Bosrietzanger (Acrocephalus palustris)

Zanger. Zomergast en broedvogel. Broedt in weelderig begroeide, vochtige terreinen(lijkt op Kleine Karekiet).

Wet. naam: In het moeras levende spitskoppige.

Volksnamen: Kwonkeets, Koankêt(Korenkets), Korenfluiter, Korentaats(taats = babbelkous), Korenveugelke, Rogveugelke, ...

Fuut (Podiceps cristatus)

Futen. Het nest is meestal een drijvend platform van plantedelen, dat langs de oever van een plas aan rietstengels ligt verankerd. Balts = 'piguindans'.

Fuut: [1763], klanknabootsende vorming.

Podicipes = aarspotigen, achterlijf en poten dicht bij elkaar.

Podiceps = Aarskop, een verschrijving?, cristatus = met kuif.

Volksnamen:

Keizer(Antw.), Pronkvogel, Kuiffuut(Vroegere Vl. naam) <== fier en kuif

Grootste fuutsoort: Grote Aalduiker

Gierzwaluw(Apus apus)

Trekt veel verder als 100km om voedsel te zoeken, ze zouden altijd blijven vliegen, ze slapen op 3 km hoogte en gaan al slapend langzaam naar beneden. Alleen om te broeden hebben ze een nest. Vanop de grond zouden ze bijna niet kunnen opvliegen.

Apus = pootloze. Gier: schreeuwen, gillen of heen en weer gaan.

Volksnamen: Steenzwaluw(ook voor de Huiszwaluw), Sikkelzwaluw, Stadszwolm, Grote zwalm, Haker, Krijter, Scheer, Fluitjes, Kerkzwaluw, Torenzwaluw, Muurzwaluw, Kerkspreeuw, Zichel, Torenspreeuw, ...

Boomklever (Sitta europaea)

Boomklevers. Kan zowel de stam op en neer beklimmen. Broedvogel.

Wet. naam = Europese Sitta, sitta = klanknabootsing(lokroep = siet).

Boomklever: klautert + kleeft zijn nestingang toe tot hij er net in kan.

Volksnamen: Blauwspecht, Spechtmees, Plakmees, Kleiner

Grote Lijster (Turdus viscivorus)

Lijster. Komt veel voor. Broedvogel, en jaarvogel.

Turdus = ? afgeleid van een klanknabootsing, viscivorus = die gulzig mistletoe(=maretak) eet.

Volksnamen: Ballijster, Balklijster(V.K.), Dubbel Lijster, Bloklijster, Oostlijster, Veldlijster, Koelijster, Paardenlijster, Mistel, Klamplijster, Hamster, ...

TjifTjaf (Phylloscopus collybita)

Zanger. gelijkt fel op de Fitis. De zang is wel typisch, cfr naam. Broedvogel(zomergast).

Wet. naam: bladspeurder-geldwisselaar(metaalachtige roep)

Tjiftjaf = klanknabootsend gevormd.

Volksnamen: Oevenmenneke, Ovenmakerke, Ovenmetserke, Overdekselke,

Overdekkertje(V.K.: om het overdekte nestje, ook voor Fitis en Fluiter)

Zwarte Kraai (Corvus corone corone)

Kraaien. Broedvogel(jaarvogel). Ondersoort = De Bonte Kraai.

Wet. naam + Nl. naam = klanknabootsend

Volksnamen:

Zwarte: Houtkraai, Boskraai, Kraa, Roaf, Brokkrèe, Karwei, ...

Bonte: Grijze kraai, Krei, Zoadkree, Bonte Roaf, ...

Koekoek (Cuculus canorus)

Koekoeken. De roep van de koekoek betekent dat de zomer in aantocht is. Lijkt een beetje op een sperwer, maar geen roofvogelkop.

Wet. naam: Welluidende koekoek.

Er wordt door het gedrag van de koekoek een link gelegd met een leegloper(luiaard).

Dit heeft wel een hele hoop uitdrukkingen opgeleverd.

Toch nog volksnamen: Koekoet, Koekuit, Kokkuit, Sperwer(gelijkenis: in het 1ste levensjaar zou de sperwer een koekoek zijn).

Koekoeksspog: De schuimcicade op planten zou uitgebraakt zijn door de koekoek.

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Winterkoning. Broed- en jaarvogel. Opgewipte staart.

Wet. naam = holbewoner.

Volksnamen: Duimken, Kaduintje, Pieterken, Ossebolleke, Steuperke, Keuninkske, Klein Janeke, RETTER(VK, naar de ratelende alarmroep), Siet(je)(Kemp.), Ovenmakerke, Ovendekker, Dekkerken, Ovenmetserke, ...

Zwartkop (Sylvia atricapilla)

Zanger. familie van de Grasmus(Sylvia communis). Broedvogel(zomergast).

Wet. naam = bosvogel met zwarte kopveren.

Volksnamen: Zwartkopgrasmus, Kwetter, ...

Wielewaal (Oriolus oriolus)

Nest goed verborgen hoog in een boom. Roep = "dududelutjoho". In broekbossen en populierenbossen. voedsel = insekten en zoet fruit.

Wet. naam = klanknabootsing of Chlorus = groen/geelachtige kleur.

Wielewaal = woud + galmen(kwelen, dus 'boszanger'?

Volksnamen: Goudmerel, verschillende varianten op Wielewaal, Wronglawei, Populierloe, Goudlijster, Goudmerel, kerzendief, kriekendief, Olijmerel, Gele Specht, Gele Spreeuw, Pinkstervogel, Watervogel

Staartmees (Aegithalos caudatus)

Mezen Broed- en jaarvogel. Ingewikkeld ovaalvormig nest.

Wet. naam: staartmees.

Volksnamen: Meesje langstaart, Langstaartje, Mostaardbolleke, Pannestrijker, Pijltje

Ossebolleke(V.K.: van osterbolleke? <-- paternosterbolleke)

Vink (frigilla coelebs)

Vinken. Broed- en jaarvogel. Zang = "suskewiet" in Vlaanderen.

Wet. naam: Tjilper, ongepaard(celibatair), d.w.z. de mannetjes en vrouwtjes gaan gescheiden, na elkaar, op trek.

Vink = klanknabootsing.

Volksnamen: Suskewiet, Slagving, Botvink, Bosvink, Boomgaardvink, Beukvink, ...

Andere vinkensoorten:

Groenling: Groenvink, Grunsel, Dorvink, Mo(e)f(VK, naar de Duitse legerkledij)

Goudvink: Bloedvink(Kempen)

Frater: Steenkneuter(VK)

Barmsijs: Paapje, Sneeuwpaapje (VK)

Europese kanarie: Cineke(VK, v/h Frans), Geelvink

Keep: Kweker(VK), Noordvink

Kneu: St. Maartensvogel, Heikneuter, Heivink, Kwetteres

Putter: Distelvink, Elzenputter

Sijs: Tarinneke, Bloemsijsje, Trientje, Seske, ...

Heggenmus (Prunella modularis)

Heggenmussen. Broed en standvogel(=jaarvogel). Behoort niet tot de "mussenfamilie".

Wet. naam: melodisch bruintje. Hij houdt zich op in heggen en struiken(Nl. naam).

Volksnamen: Blauwe koolmees, Mosvink, Gestsiep, Hagefrutte, Haagmees, Bastaardnachtegaal, Kwetter, Pieperken, Blauwe korenmus, (Blauwe) Rietmus,

Keullemus(Voorkempen), ...

Matkop (Parus montanus)

Mezen. Matzwarte kruin. Broed- en standvogel. Algemener als de Glanskop(Parus palustris).

Volksnamen: Biemus, Matkopmees, Mees, Biemeske

Boompieper (Anthus trivialis)

Piepers. Zomergast en broedvogel. Typische zangvlucht, cfr Graspieper (Anthus pratensis) die een "parachute" vlucht heeft.

Wet. naam: geelachtige gewone vogel.

Volksnamen: Bosluwerke, Bospieper, Heidepieper, Venpijp, Zeilder(Antw. Kempen), Parachutevogeltje, Koolpieper.

Graspieper (Anthus pratensis = geelachtige weidevogel): Grastjieper, Kantleeuwerk, Garsleeuwerk, Enkele Leeuwerk, Piepeling, Pieper, Pijpeling(Ant.), Venpijp(A.K.), ...

Buizerd (Buteo buteo)

Roofvogel. De algemeenste roofvogel, broedt bij voorkeur in oude naald- of loofbomen aan de bosrand, in een horst van takken, versierd met groen.

Buteo = klanknabootsing van buteo(havik, valk) van butire = schreeuwen(cfr butoor voor de Roerdomp).

Volksnamen: Busse, Muizenvalk(Limb.). Grote Stootvogel, Grote Valk, Blotserd.

Voorkempen: Bruwier(=moerasvorkstaart), Plot(van plodderaar, = slordig, een slordige nestbouw).

Blotser(Hasselt), Klamper, Valk, Domper(boeven moeras? = damp, domp).

Zonnedraaier= van schroefsgewijze opwaartse paarvlucht, zeer hoog(Wiel. 5,6 '45)

Huismus (Passer domesticus)

Mussen. Stand- en broedvogel. Zou in aantal minderen. Zo hebben we ook nog de Ringmus(Passer montanus), die er fel op gelijkt(kleiner, bruine kop).

Wet. naam: Passer?, domesticus = bij het huis horend.

Volksnamen: Stromus, Pannemus, Steenmus(die onder daken of steenholtes woont), Dakmus, Blokmus(mus die in holleblokken woont opgehangen in bomen, blok staat echter voor groot, zoals ook steen?), Potmus(in de kookpot), ...

Ringmus: Boommus, Beumotter, Bosmus, Kleine mus, Boerenmus(mus die in bomen woont), Stronkmus, Ringelaarke, ...

Kauw (Corvus monedula)

Kraaien. Opvallend zijn de grijze nek. Broed- en jaarvogel.

Corvus monedula = raafachtige die centen wegpikt

Kauw van schreeuwen, naar de kefferige roep.

Volksnamen: Kauwke, De duiven van de deken, Nonneke, Huiveke, Teurekroa, Kake,...

Nachtegaal (Luscinia megarhynchos)

Nachtegalen. Zomergast en broedvogel.

Wet. naam: Lusciana = ?, megarhynhos = grote snavel, i.v.m. de welluidende zang?)

Gaal = van galan = (galmend) zingen.

Volksnamen: Achtergaal(tje), nachtergaal, Bleksteert,

Kleine Karekiet (Acrocephalus scirpaceus)

Zangers. Broedvogel. Vooral in rietlanden en -kragen.

Wet. naam: spitskoppige die in het biesveld leeft.

Karekiet is klanknabootsend gevormd.

Volksnamen: Rietmus, Rietvink, Kleine Rietmus, Kempenaarke, ...

Fitis(Phylloscopus trochilus)

Zanger. Cfr Tjiftjaf, zang = een vink met een "depressie" = afgekapt. Zomergast en broedvogel.

Wet. naam: De bladeren afzoekende 'trochilus'. Fitis = klanknabootsing.

Volksnamen: Oventjesdekker, haagsijsje, Tieterke, Ovenmakerke, Ovenbakkerke. Overdekkertje(V.K.: om het overdekte nestje, ook voor Tjiftjaf en Fluiter)

Rietgors (Emberiza schoeniclus)

Gorzen. Broedvogel. Komt nu ook in graanvelden voor.

Emberiza= morel(zure kers). Gors= klanknabootsend, van garren= kakelen,santeren.

Gorzen lijken op vinken.

Schoeniclus= In het riet voorkomend, cfr Nl. naam(biotoop).

Volksnamen: Rietmus(VK), Lismus, Rietvink(Kempen), Slootmus, Gagelmus, Haverpikker, Seeuwerken, Zemer(liedje herhalend)

Andere gorzensoorten:

Geelgors(E. Citrinella = citroenkleurig). Geelgors voor zijn heldergeel verenkleed.

Grasseleer, Groensel ...(lijkt op Groenling), Dook, Kantschrijver, Schrijver(tje)(VK),...

Grauwe Gors(E. calandra = ? cfr Kalender-Leeuwerik). Grauw: zandkleurig-bruin.

Korenkneuter, Gerstvogel, Gergaai, Poefkneut(Kempen), Dikschijter, ...

Pimpelmees (Parus caeruleus)

Mezen. Standvogel(dus ook broedvogel). Durven melkdoppen stukprikken.

Wet. naam: Blauwe 'Parus'. Pimpel = zwak of teer(kleiner mees), Pimpelpaars zou van pimpelmees of te veel pimpelen(==> blauwe neus) kunnen afstammen.

Volksnamen: Pim, Pimpel, Kleine Bieteut, Hemelmees, Blauwkopje, Keesmuske, Tietmeske. Dikwijls met verkleinwoord!

Houtduif(Columba palumbus)

Duiven ."Plunderaars" van velden , vijand van de boer. Witte halsvlek.

Duif betekent donkere vogel(cfr doffer voor mannetje).

Houtduif, omwille van meestal in bossen en parken.

Volksnamen: Boomduif, Bosduif, Ringduif, Woudduif, Stokduif, Valmduive(invallen op fruitbomen), Valduif, Veldkets(ketsen = rondlopen), Veldduif, Remduif, Kolduif, Veldkladde, Hoolduif, Dikke doef, Kladde, Kladduif, Velte, Wilde Duif, ....

Voorkempen: Oosterse duif, Koolduif(kolen i/d winter).

Turkse Tortel( (Streptolia decaocto)

Duiven. Zwarte nekring. Roep= Moemoekedoedoeke of Remoake. Voor 1930 bijna niet aanwezig.

Wet. naam Turkse tortel = ringduif 18

Wet naam Tortel: ringduif die koert.

De volksnamen gelden dan echter voor de (Europese) Tortelduif( Streptopelia turtur):

Tittelduifke, Tortelaan, Perkoetoet, Huisduif, Turtel, Bostortel, Keeter(duif die veel op het kot blijft, dus = huisduif), Roekdoef, Rinsduifje, Bosduifje

Zanglijster (Turdus philomelus)

Lijsters. Jaarvogel. De zanglijster slaat huisjesslakken gewoonlijk op dezelfde steen kapot. Deze plek wordt 'lijstersmidse' genoemd.

Wet. naam: Turdus die graag zingt.

Volksnamen: Franse Lijster, Klein Lester, Klinster, Titser(klanknabootsend), Lester, Kluister, Pitser, Enkele Lijster, Fijn Lijster, Half Lijster, Slijkmerel, ...

Huiszwaluw(Delichon urbica)

Opvallend zijn de witte stuit en minder gevorkte staart dan de Boerenzwaluw. Bijna volledig toegemetst nest. Wet. naam = Stadszwaluw)

In de omgeving van menselijke bewoning.

Volksnamen: Vensterzw., Steenzw.(woont in steenputten), Nonneke(VK), Nonnekeszwalleft, Witgatje, Melkstaartje, Kerkzwaalm, Torenzwalm, Witteling, ...

Boerenzwaluw(Hirundo rustica = zwaluw van het platteland).

Zwolm, Zwalm, (Boere)zwalef, Vorkstaartje, Vorkzw., Bruinkeelzw., Schuurzw., Stalzw., Zwelfke, Schouwzw., ...

Oeverzwaluw(Riparia riparia = oevervogel). Schoorzw, Zandzw., Aardezw., Warerzw., Bruin zwaluwtje, Nonneke, Zavelzw., ...

Kokmeeuw( Larus ridibundus)

Plaatselijk zeer algemene koloniebroedvogel. Bruine kop, gelijkt op de zwartkopmeeuw(zwarte kop).

Wet. naam = lachende meeuw.

Kok = kokkeren of kakelen ==> klanknabootsing.

Volksnamen: Lachmeeuw(W. 3 '39), Kapmeeuw, Zeeduif, Meew, Mief, Muuf, Meif, ...

Merel (Turdus merula)

Lijsters. Standvogel. Vroeger bosbewoner, nu tot in de tuinen.

Merel van merula.

Volksnamen: Meerlaar, Meerle, Merelaar, Bloon(van het 2e lid van merlaan, merula)

, Zwartmelder, Blokmeerlaar, Geelbek, Zwarte Lijster

Ekster(Pica pica)

Het koepelvormig nest heeft 1 opening en bevindt zich meestal in doornstruiken of hoog in een boom. Hannesnest, hannekesnest van Hanne = Ekster --> warboel.

Wet. naam: ? verband met puntig

Ekster: scherpe bek? vogel met spitse staart?

Volksnamen: Stok in't gat, Berkekster, Hanne(met veel varianten, zie ook Vl. Gaai), Kèrregét(roep), Hannek(VK), Kalle(babbelaar),

Vlaamse Gaai(Garrulus glandiarus)

Schuwe bosbewoner. Alarmgever. Slaan een wintervoorraad op.

Wet. naam: voortdurend krassende eikelzoeker.

Gaai = klanknabootsing. Het is een schetteraar.

Volksnamen: Wietewuiten, Annewuiten, Meerkolf(cfr Meerkoet), Hanne(cfr ekster), Wouter, Roetaard, Eikelekster, Rotten Anne, Kavogel, en nog veel meer ...

Rotzak(VK): De jagers omdat ze verraden werden, ook omdat hij eieren en kleine vogeltjes eet.

Grote Gele Kwik(Motacilla cinerea)

Vooral langs snelstromende, natuurlijke beek.

Wet. naam: Asgrijze staartwipper.

Volksnamen: Beekkwikstaart cfr biotoop.

Gele Kwikstaart(Motacilla flava flava= gele staartwipper)

Komt meer voor als de Grote Gele Kwik. Volksnamen: Geel Akkermanneke, Koewachterke, Polderkwiksteert, ...

Witte Kwikstaart(Motacilla alba = glansloos-witte staartwipper)

Akkermenneke, Wikkekwik, Strootsteje, Ploegdrijverke, Bouwmeesterke, Champetterke, Koewachter, Paardewachterken, Peerdenboeverken, Koevoet, ...

Fazant( Phasianus colchicus)

Niet inheems, komt van Azië(Kaukasus). Wordt voor jacht uitgezet!

Wet. naam: van de stroom Phasis(Rioni) in Kolchis(Z. Kaukasus) afkomstig

Volksnamen: kok(voor de haan, van het Franse coq, klanknabootsing). Fezant(e).

Aanvullende lijst van vogels met hun naamsverklaringen

(niet zelf in Schilde Park waargenomen)

-Dodaars(tachybaptus ruficollis= roodbruinhalzige snelle duiker)

Dodaars naar de uitgestorven vogel, de Dodo = naar de achterste(=aars) plukveren(=dot=pluk).

Volksnamen:

Lokeren = duikerken, bozzeken toebak. Limb.: dodaars(neerp.), dopperke(herk), pumperke.

Dodderke, maskotteke(Wijn.), Gatvager(Ieper).

Hagelzakje(W. 5,6 '45): de gelooide huid werd in de 18e eeuw door jagers gebruikt

-Jan-Van-Gent(Sula bassana)

= 'Dwaze? vogel van de bassrots' Schotland of van Bass Strait Australië.

Gent komt van 'ganzerik' = mannetjesgans OF 'gentlemen' naar zijn deftig voorkomen.

Jan: ?, verbastering van 'bassan' of van het Keltisch(witte haringvogel)

Zeezot, voor komische vogel of lieten zich gemakkelijk vangen op de schipsrailing

 

- Aalscholver( Phalacrocorax carbo)

Aalscholvers. Wet. naam; houtskoolkleurige kaalkopraaf.

Nl. naam: paling en visvreter ==> aal, + schollevaar naar aalscholver. Aar in Schollevaar van arend, cfr zijn houding kan ook geëvolueerd zijn naar aal.

Volksnamen: Schollevaar(oude Nl. naam), Zeeraaf(Antw., Waas), Waterraaf, Rotskolver, Kluiver, Stinker(cfr uitwerpselen, kuststreek v. Be)

-Roerdomp ( Botaurus stellaris)

Roer = riet, rietpijp Domp = een dof geluid maken

Wet. naam = vogel die bulkt als een stier.

Volksnamen: Rommeldoos(Limb.)

Puitoor, Pitoor, Putoor van het Frans Butor, van buti-taurus = 'boeroeper als een stier', cfr Wet. naam

Brulreiger,en Domper (Wijnegem)

Puithoren(Waas), ?Doeker(Wielewaal 8,'42)

-Kwak(Nycticorax nycticorax = nachtraaf)

Middelnl = quackreiger, naar het kwaken, kwekken, dus klanknabootsend.

Ook nachtreiger genoemd.

-Ooievaar( Ciconia ciconia)

Wet. naam: ? klepperaar, naar de cicade(insect) dat een krekelgeluid produceert?

Nl. naam: 'loper in drassige weiden' of nadien 'brenger van rijkdom of geluk'

Cfr Middelnl = Odevare <-- Odobero(oud Hoogduits, odo = geluk en bero = brengen) = geluksbrenger, een verbastering van water(ode) en varu(=gaan) , nl. de eerste betekenis?

-Zwaan(Cygnus)

Wet. naam:?. Nl. naam is verwant aan sonare = geluid maken, het dier is dus naar zijn geluid genoemd. Soorten Knobbelzwaan(C. olor), Wilde Zwaan(C. cygnus)

Volksnamen(Wilde Z.): Deen(Scheldevissers Wiel. 10,'40), Karoen(v/h Frans)

-Gans( Branta , Anser)

Gans en Anser zijn klanknabootsende woorden, naar het 'gakken' van sommige ganzesoorten.

M= ganzerik. Soorten: Grauwe Gans(Anser Anser).

Volksnamen(Grauwe Gans): Wilde Gans(dr jagers), Vriezegans(winter), Vriesvogel, Kraanvogel, Trekgans, Kroenekraan(dus ook voor Grauwe Gans), Trekgans, Koenekraan(waakzame vogel)

M= Gaand, gander, gant, gender, ganzer, ganzerik

-Roofvogels: havikken, buizerden, kiekendieven , (valken)

Volksnamen = stootvogel, klamper,(Kempen, Waas) klampvogel, kwaadvogel, plod(de), plot, ste(e)kvogel(O. +W Vl.)

Accipitridae = snelle grijpers

-Sperwer(Accipiter nisus)

Nisus = Griekse mythologische figuur in Zeearend veranderd. Sperwer van mussen,spreeuw arend?

Volksnamen: Wiggeleer(N. Limb, wiggelen = zich op en neer snel bewegen).

Waas: Duiveklamper, duivenstekker, klamper, spriwaal, stekvogel, ...

Mussenklamper(Voorkempen,)alg. Vlaanderen), Vinkendief(Limb), Doevenstoeter, Klamper, Stuiker(Hageland), Brawier, Drijkantige(Gent), Kiebek, Wiekel(rond Antw.), Spellever, Stiervalk(Limb.)

Sperwer en Havik werden verward, Sperwerwijfje is bijna even groot als havik, hierdoor ook duivenklamper, ... als voor de havik.

-Havik(Accipiter gentilis= de edele snelle grijper)

Volksnamen:

Groter als de sperwer, daardoor eerde duivenklamper(Voorkempen, alg. Vlaanderen).

Plus algemene roofvogelnamen(klamper, klamvogel, klemvogel, kwaadvogel, ...)

-Rode en Zwarte Wouw(Milvus milvus, migrans)

Milvus = vliegende vis.

Volksnamen:

Voorkempen: ook weer Bruwier, Plot(=slordig), cfr Buizerd.

Brakken(W. 6 '42), W. 8.9 '44: Roodbruine wouw, (Zwartbruine wouw), Koningswouw, Milaan wouw

Antw: Brawier, Brewier, Bruwier. Brab. : Hinnenklamper, Kiekendief\, Hinnenbrawier.

Limb. Kempen: Haneschop, Zwaluwstaart.

Opm.: Vele roofvogelnamen worden doorheen gebruikt.

-Kiekendief(Circus=cirkelende)

Blauwe = cyaneus = azuurblauwe vogel, Bruine = aeruginosus = koperroestkleurige)

Volksnamen:

Schor = kiekendief = klanknabootsing(Van dale) of 'vlak over het riet scheren'

Antw. Kempen: Weie, van het Duits. St Maartensvogel(komst in't najaar)

Brab: Hinnenbrawier, Klavier(Leuven), Kwaadvogel, Kuivogel, ...(cfr zwarte wouw)

Klauwier, Brawier, brewier

Witte Kiekendief(C. pygragus= cirkelende witstuitvogel): Witte Klamper(Antw. Kempen).

-Wespendief(Pernis apivorus= behendige(?) bijenverslinder)

Volksnamen: Weer Bruwier en Plot in de Voorkempen, cfr buizerd, wouw

Bieënarend(Limb. Kempen), Rest van Vlaanderen = Buizerd.

-Boomvalk( Falco subbuteo = kleine buizerdvalk)

Steekklamper(cfr Havik, Sperwer, Torenvalk)

Blauwe wiekel(Limb. Kempen), verward met Smelleken?, 'wiekel' =bidden van de torenvalk

-Slechtvalk(Falco peregrinus = valk uit het buitenland)

R. Verheyen: slecht = plukplaats of slachtbank Of slecht = algemeen of gewoon(Van Dale), voor de vroeger algemene valkesoort.

Pelerin(valkeniers, gevangen in zijn trektijd), Duiveklamper(Antw. Kempen)

Doevestoater(Limb.)

-Smelleken(falco columbarius= duifachtige valk)

Smelleken van merlijn van het Frans/Duits Esmeril(Middelnl = smerle) <-- ?smergel,amaril = donkerblauw of bruin gesteente in overeenstemming mate het M. of V. OF van Merel(prooi)

Volksnamen:

Waas: Klamper, klampvogel, mussenklamper, mussensteker, ...ook voor havik,sperwer, torenvalk,...

Limb. kempen = Blauwe valk, Leeuwerikvalk(prooi), Smerlijn,

Dwergvalk, Smirrel, Smierl, Merlijn, Dwergvalk

-Kwartel (Coturnix coturnix = klanknabootsing? cfr kwikmedit)

Kwartel van kwakkel (Middelnl. quackel), klanknabootsend gevormd.

Volksnamen: Kwakkel, Wachtel(Ant.), Kwikmedit, Sjreep(Itter), kwattel, ...

-Patrijs(Perdix perdix = klanknabootsend?)

Nl. naam van het Frans Perdrix <-- Griekse perdix

-Kwartelkoning( Crez crex = klanknabootsing?)

Nl . naam ontleend aan een Griekse sage(hoofd van zwerm kwartels, iets groter!)

Volksnamen:

Waas: Bremscheer, wachtelkoning, bramscheer, bruinscheer, brumscheer, ...

Limb.: kwartelkeuning, kwartelkuningske. Bremschar(Wijn.)

Spriet(klank), Peersneus(?als paard te kort bij net komt ==> roep peersneus).

Bamptscheer(W.1, '42) = scheert over de beempt, =hooi- of weiland.

OF Brem = plant en scheer, schaar = van scharen, shrapen, verzamelen. De vogel houdt zich op in't brembos, en eet de zaden ervan.

Kwakkelkoning, Hooistek(verbergt zich in hooiland), Schriek(geluid),

-Wateral( rallus aquaticus = 'sputteraar die aan het water leeft'.

Ral = een klanknabootsende naam, cfr het Franse râle = schreeuw.

Volksnamen: Raalde, Raalje, Waterscher('schraper'), Moerasvarken, Klein Waterkieken, Petrusvogel(loopt over water), Waterbremscheer. Limb.: Bamschiejer, bamscheer, broenwaterkuken.

-Scholekster(haematopus ostralegus = bloedroodpotige oesterverzamelaar)

Schol: van schelp van mosselen en andere schelpdieren(niet de oester)

Volksnamen: Petie(Waas), Zee-akster, Zeeëkster

Komt nu meer en meer in bouw- en weilanden broeden.

-Kluut( Recurvirostra avosetta = ?, avosetta = met omhoog gebogen snavel)

Kluut = klanknabootsend. Kluit in 1636.

Volksnamen: Avocet, kloet(Waas),. Kluiter, Zeesnep cfr strandlopers, ....

-Plevieren(Charadrius ...)

Wet. naam: in kloven en bij de bedding van bergstromen of rivieren levende vogel.

Pluvier = heidepatrijs of regenvogel. Regenfluiter(komst van regen). Mathoen.

-Kievit(Vanellus vanellus = ijdeltuitje)

Kievit = klanknabootsing van deze gekuifde plevier.

Kiewit, keviete, piewitvogel, kluiter(ook voor de wulp)

-Strandlopers, snippen, grutto's, wulpen en ruiters( Scolopacidae= vogels met paalvormige snavel)

Lokeren: Grote soorten= fluiters, kleine soorten = spiluit

Kuilaert, zeesnep, kuilder, kluiter, kluter, zandloper, ... blijkbaar vanalles door elkaar gebruikt voor kluut, plevier, wulp, strandloper ...

Kemphaan(Phylomachus pugnax = de vechtlustige): kempaard, kempaen, kempuit, kraagmannetje

Bokje: dooverik en halve snep(Waas), do(o)ver(Antw.), deuverken(Lok.)

Poelsnip : Dobbele snep, snep, watersnep, baret, grassnep, ...

Watersnip: Snep, bossnep, rietsnep, hemelgeitje, havergeit, trommelaar, ...

Houtsnip: Bossnep, houtsnep, snep, bekkaas(v/h Frans becasse, naar de grote snavel), ...

Grutto: Wedde, wetter, wethouder( van wed = waadbare plaats), slijktreder, marel, griet, kluto,

Waas: meiwulp, fluiter, zeefluiter, zeevogel maar is dit niet de Regenwulp?

Regenwulp: fluiter? cfr Grutto.

Wulp: Kluiter, Waas: cfr Grutto?, kleuter, kluut, kliet, heikluter, regentuiter(v. tuiten = schreeuwen)., fluiter, Zandfluiter(Voorkempen), heidetuter, kuilaard, kalder, sturluut, ...

Tureluur: Fluiter, roodpoter, roodpootruiter, lieveken, tikker, (regen)wulp, ...

-Holeduif(Columba oenas= blauwe duif)

Holeduif aanvankelijk in boomholten en konijnepijpen

Volksnamen: Blauwe duif(Voorkempen: cfr verenkleed, alsook omdat gepoogd werd ze te kruisen met tamme rassen) , Kleine Woudduif, Kleine bosduif, hoolduif, houtdouf, bosdouf, kullekop

-Uilen(Tytonidae= klanknabootsing en Strigidae=bloeddorstige nachtvogels)

Uil = klanknabootsend, en is verwant aan huilen, schreeuwen.

Uil voor zowel dom(uilskuiken) als slim(symbool van de wijsheid)

Kerkuil(Tyto alba= Witte tyto-roeper): Torenuil, Ransuil(ook veertjes om de ogen = sluier), Lijkuil, Oranje Uil, Katuil(geluid)

Bosuil(Strix aluco = vampier-katuil): Naam, cfr biotoop. Koetuil(klank) , (Grote)Katuil, Dronte(W. 8,'42)

Ransuil(Asio otus= ooruil): Rans = sluier, rantse = muts met kap. Ooruil, Hoornuil, Katuil, Bosuil, Iel.

Steenuil(Athene noctua=Athene nachtvogel): Steen: nestelt in rotsspleten,... Koetuil, Koetske, Kleine Uil, Musuil, Boomuil, Bosuiltje, Muizenvanger, Poute, Huiveke, Poepke, Huibeke, ...

Velduil(Asio flammeus= vlammende ooruil): veld = biotoop. Hij heeft kleine "oortjes". Bosuil

-Nachtzwaluw(Camprimulgus europaeus= Europese geitenmelker))

Tot de verbeelding sprekende vogel, daardoor veel volksnamen:

Geitenmelker en Dwaasvogel(Voorkempen), Bospadde, Bosplakker, Haagpadde, Nachtpadde, Nachtzwalm, Slokkeman, Nachtpad, Nachtuil, Nachtraaf, Nachtschaai, Slangevogel, Geitevogel, Vliegende Pad, Vliegende krodde, Ratelaar, (Boom)kikker, Paduil, ...

Het is een nachtvogel met kop en vlucht van een zwaluw, goede schutskleur.

-Ijsvogel(Alcedo atthis= Halcyon uit Attica)

Ijsvogel, omdat hij in de winter op ijs opgemerkt wordt, zoekt dan verwoed naar vis, bij strenge winters sterft hij, de naam is dus een contradictie. Wellicht oorspronkelijk van Eisenvogel(ijzervogel), naar de metaalblauwe rugkleur van ijzer van toen, door zijn gedrag afgeleid naar Eisvogel.

Volksnamen: Ijspaake of Ijspaauw(cfr vederkleed), Visdief

-Hop(Upupa epops= hop)

Hop = klanknabootsing.

Volksnamen: Stronthop(vuil nest), Hij stinkt als een drekhaan(hop).

Schiethop, Drekhaan, Stinkhaan, Stronthaan, Hop, Hoepoep, Poeferke, Kothoep, Koeschitten(Kempen)

-Leeuwerikken(Alaudidae)

Leeuwerik = klinken of geluid maken(gezang)

Boomleeuwerik(Lullula arborea= boom-lullula[klanknabootsing]). Bosleeuwerk, Kortsteirtje, Horliaantje, Turrelut, Grasleeuwerik, ZOETELIEF(VK), Lieveken, Loereleuntje, Madelief, Kokkelevie

Kuifleeuwerik(Galerida cristata: vogel met kuif): Kuifliewerk, Straatloper, Topleeuwerik(VK), Ulaan

Veldleeuwerik(Alauda arvensis= akkerleeuwerik):Liewerik, Polderleeuwerk, Korenleeuwerik, Dobbel Leeuwerk, Zandloper, Hemell. , Luchtl. , Vloeker(al bidden omhoog en omlaag), Hoogvlieger, ...

-Blauwborst(Luscinia svecica = ... van Zweden)

Volksnamen: Blauwkeeltje, Pietepover(zoals het Roodborstje)

-Goudhaantje (Regulus regulus = koninkje)

Naam naar de goudgele, door zwart omzoomde kruinstreep

Volksnamen: Tieterken, Titje(V.K.) naar de fijne roep of de geringe grootte.

-Gekraagde Roodstaart(Phoenicurus phoenicurus = purperstaart)

Volksnamen : Reusteirtjen, Steennachtegaaltje, Hofroodstaart, De kok met zijn witte pet, Muurnachtegaal(nestelt in muurspleten ...)

-Grasmus( sylvia communis = algemene bosvogel)

Grasmus, naar een deel van zijn biotoop.

Volksnamen: Graskat, Kwert, Bremetoatsj, + namen als voor de heggenmus maar dan zonder blauw.

Wolkwe(r)t(V.K. : Bij het nest van de gewone grasmus(kwet voor andere grasmussen) wordt er toch onderscheid gemaakt en gesproken van Wolkwet om de wolletjes die zich meestal op de nestrand bevinden.

-Sprinkhaan(riet)zanger(Locustella naevia= sprinkhaantje met moedervlekken, naar de vlekjes)

Naam = klanknabootsing naar de sprinkhaan.

Volksnamen: Krekelrietzanger, Scharesliep, Krekelzanger, Schaarslijper,

-Grauwe Klauwier(Lanius collurio)

Lanius = slachter

Volksnamen: Bruine Wurger, Ekster van Antwerpen(?lawaaimaker, of van de A. Kempen?), zoöok Bonte Antwerpeneir, Antwerpeneir, Negendoder,(eerst 9 aanrijgen, dan eten)

Bonte Klepper(VK): Het is een hele klepper, zegt men in de streek tegen een flinke kerel, iemand die zich kan doen gelden. Zij die reeds bij het nest van de Grauwe Klauwier kwamen en ze hebben die vogel gezien, gezeten in de top van een struik, met de woeste blik in de ogen, nijdig tjekkend, zij weten dat dit inderdaad een hele "klepper" is. Het bonte is van toepassing op het mannetje(minder het wijfje).

 

-Roek(Corvus frugilegus = veldvruchten verzamelende Raaf)

Roek van krassen, klanknabootsend.

Goed om te onthouden: Een Roek is een kraai men een broek.

Volksnamen: Kraue, Zaadkraai, Korenkraai, Schurftkraai(grijze nek), Strontpikker, Gezelschapskraai (groep), Witgebekte Roek, ...

-Spreeuw(Sturnus vulgaris = gewone 'sturnus')

Spreeuw: cfr sparrow = mus en spreeuw, cfr ook de sperwer('musarend')

Volksnamen: Bosspreeuw, Sprie(f), Koewachter, Dotter

-Wielewaal(Oriolus oriolus): Een zo volledig mogelijke lijst van volksnamen

Oriol = klanknabootsend OF van Chlorus = groen/geelachtige kleur

Wielewaal: Hoogduits(wittewal, widdewel), Middelhoogduits(Witewale), Germaans(Wuduwal-ôn), Middelnederlands(Wedewale, Wedehoppe)

Bevat: Woud + Galmen(Kwelen,Roepen) --> 'Boszanger' of 'Woudroeper'

Vlaamse volksnamen:

Gele Weewaal(Ant.), Wrongelawei, Wroedlawee(WVl), Wroegelawei(WVl), Populiereloe(WVl), Wrongeldewei, Weduwaal, Wedewaal, (Gele) We(e)waal(Ant, Hag.), Wewale(Hag,), (Geile) Wiewaal(Lim.,Waas,Hag.), Gele Wiwouw(Kempen), Goudvogel(veugle)(Vl), Geelspecht, (Gele) Wiewaal(Waas), Goudmerel(Diks.), Goudmale(Lim.), Goujemaerlink(Lim.), Pinkstervogel(Lim.), Watervogel(Z. Lim), Kersendief(Bev.), Kriekendief, Gele Kersendief(Wijn.), Kersenrijp, Koekelierloe, Gele Wever, Gele Spreeuw, Olijmerel, Verwrongen Wijten, Gele Specht, Kezzeriepen, Wejwaal, weê-waal(Hag.,Z.Lim.), Weewouter, Wiewouter(ook vr Vl. Gaai), Goudlijster(Ant.), Wiedewaal, Werrewaal, Wiewale, Gielgou, Gele Weelewaal, Gele Gouw, Gele Spreeuw, ...

Kiliaan: Wedewael, weedwael, weedewall

Nederlandse volksnamen:

Wielke, Wielewaa, Widewaal, Wedewael, Werrewaal, Weddewah, Wiewouw, Gèle Wiewouw, Gele Wiewouw, Hjèle Wiwou, Giel(e)gou, Gelgouw, Gouw(e), Goudlijster, Goudmeerle, Goudmaerel, Houdmaerel, Goldmerel, Gouwe Marelaer, Perewyt, Oliemerel, Boonpoter, Regenvogel, Dondervogel, Brike Liuw, Karsefûgel, Kersevogel, Schèle Wiewouw, Schèle van Mierlo, Grete van Gluurne, Piet van Ruurle, Dubbele Bagijnhof, Hannik van't eeknloof, Wiedelewaddele

Kiliaan: Geelgorse = variant v. wedewael ( dit is de Geelgors!), hij wordt dus door sommige verwart(geelgors <--> wielewaal). Gele gore De kop,hals,keel is ongeveer die van de Geelgors.

Verklaringen:

Kleuraanduiding: Cfr de goudgele kleur van het mannetje

Gouw: Kleur of wouw(gaai?)

Kleur+zang: Cfr merel, lijster

Olie, Oly :cfr Oriol, klanknabootsing

Pinkster...: cfr aankomst voor het broeden

Aankondigen van regen: Regen/donder

Nestelt nabij beken: water, ...

Kerseneter

Woordspelingen op de jodelfluit

Vroenglawei(W.Vl): Vroeg laweit?

Typisch Limburgse volksnamen: Wielwoil, Wielwaol, Wiewaël, Wièwaal, Wiewoal, Geile Wielewoal, Giejle Wieëwoal, gele Wielewoal, Gele Wiewoal, Gèle weewoal, Goudmerel, Goudmèlder, Goudmulder, Gèle guidmèrel, Goadblom, Goudmjalling, Goadmjèle, Woutervogel.

Varianten op gele wiewouw(e): wiewa, wewa, wevau, wevot.

[H][N]annewuiten: zowel voor Vlaamse Gaai als voor de Wielewaal(Cfr Land van Waas)

-Ekster(pica pica)

Pica pica = puntig? Vogel met spitse staart? Vogel met spitse bek?

Vlaamse volksnamen:

Land van Waas: A(a)kster, Ekster, Hannekwast(cfr Vl. Gaai), Hannen, hannepap, kalle, Kal, Okster(Lok.). Opm.: Hanne = tamme ekster(Schuermans)

Eekster: Verspreid in Limburg en Zuid O.Vl.

Ikster(Z-Vl). Echter-vormen -n Z. v. Vl.. Ekser-vormen in Ant. Kempen.

Eksle(Landen, waasmont, Montenaken). Ingster(Wervik), Enkstere(Balegem), Jan(neke) (Ant. Kempen, Hageland, ...), Hannek(VK), Hannik(A. Kempen).

Hasselt: Iëkster, [H]énneu(van Hanne, henno), Kèrrgét(roep).

Stok in't gat(Z. van Antw.), Anne-pik-wipstaart, Advocaat, Kantekster, Egerst, Egerst, Ekstrooi, Annegar, Atsel(oud Vl. woord voor ekster). Miekenekster/Janneke nekster(Schertsende tegenstelling Steenokkerzeel).

Namen berustend op fysieke kenmerken:

Akkezwartgat, akkezwart, langstèrt, stèrtekster, witstart

Geluid: Kerget, kerreget, scherregets, krietakster

Algemeen:

Samenstellingen met -ekster,

Bonte ekster, Bosekster, Broekekster, Berkekster, Hegekster

Ook voor Vl. gaai: ekster, iekster, ikster, schrekekster, klapekster, krietekster, wal(d)ekster, schoolekster, bonte ekster, bosekster

Mierts-veule, mertsveulen(hinnekend geluid, ook voor de Vl. Gaai)

Ongelukssfeule, nieuwsanbrenger, akkejoentser, deeivel, deul(gaai!), moordenaar(eten kleine vogels), bonte- zilver- en lepeldief,(diefachtigheid) tutte(domme meid), suksterige

Benamingen voor de ekster van andere vogels:

-kraai(kroaie,kra,krei,krowj) -bonte kraai(bonte kree)

-kauwtje(kauwke,koak, kake) -spreeuw(sprieuwe)

-sperwer(stekveugel-vugel)

Limburgse volksnamen(Be+Nl):

Haaster, èester, ester, aister, eister, eschter, hennoew, ejekster, èjekster, iejkster, hègekster, ègers, eegerst, eigerst, aingerst, ègest, ègerst, ekster, herreget, èkster, eekster, jèkster, hennow

Oudfrans: Jacquette ==> op sommige plaatsen in Vl., vooral in de Ant. Kempen, elders in Vl. als: jaak, jakke, jake, joakske, djaak, djake.

-Vlaamse Gaai(garrulus glandarius)

Wet. naam: voortdurend krassende eikelzoeker.

Gaai: van gaïus = schreeuwer, van oud Frans: gai = vrolijk, levendig, dit komt dan weer van het Germaans ohd=gâhi, Nederhoogduits = jâhe, nederlands = gaauw. Van gajus(lat.) = eigenaam gajus

Waarom Vlaamse Gaai: Van W.Vl, langs de kust naar Nederland ==> Vlaamse Gaait OF Vlaams omdat eerst in Wallonië = Gay ==> in't Vlaams Gaai ==> Vlaamse Gaai.

Vlaamse volksnamen:

Merko(e)f(Limb.), zoöok merrekollef,mellekolver, merkol,meirtkolver, Mertekolf, merkof: van Markolf(Marculphus) = spotter(Dyalogus Salomonis et Marcolphi)

Oud Germaans = mark-wolf = grenswolf. Er zijn totaal ongeveer 200 vormen afgeleid van Markolf. Er ontstond ook verwarring met Meerkol(meerkoet).

Roetaart,roetaard,roeter, ... = synoniem voor marc(k)olf(Kiliaen + Gemmula vocabulorum 1490). Roeter(ZO Vl. en Vl. Brabant) = druktemaker of van zwarte(roet)kraai ==> overdracht.

Annekoôl(Zottegem) = 2e deel van Meerkol, zoöok kaol,kool,kul,kouli

Kwavogel,Kavogel,Kwaadvogel in Centraal Vl. Brabant.

Waas: (H)annewuitenm, (h)ennewuiten, nannewuiten, (h)allewiuiten, Hallewuiting, Hannewuiting, hannen, Meerkol, Gaai, Wouter.

Kiliaan: hannewuyt. [Han = wild wuit = guit ==> Wilde guit]

Schuermans: hanne = tamme ekster, ook voor gaai

De Bo: Wuit(en) = Gaai cfr Wouter-Gautier

Merksplas: hannebroek, annebroek, anniebroek, hannekbroek

Limburg: Henno, blauwe henno

Hanne, hannek, hannik(Vl +Br.) ook voor ekster

Oude O.Vl. namen: Wiewouter(wijwouter,weewouter) cfr de vlinder

Oud Brugs: wouterloot(Fr. vautrelot, van Wouter)

Naam wouter voor de gaai: wouterloot, wouter, woutermannetje. van wouter via wuiten naar: weiter, weiten(oud volgens Kil.), cfr Wingene: ne verwrongen weyten!, weitink(Gent)

O.Vl: wètere,watere, wèdre, wadre, warink, watink, weitink, weltink, woutink.

Roethannen(Ant.), --> rotten Anne zo naar Rotzak(A. VK), wellicht omdat de jagers hem zo noemden, alsook het roven van eieren en jonge vogelsals maal.

Stekvogel, klamper(e)(cfr Rotzak)

Nog meer Vl. volksnamen(andere bron):

markol(f), meerkolf, henne, anne, weiting, weitink, wijling, wouter, wietewouten, wijwouter, wiewouter, weewouter, wijdewouter, annewouten, alleweitink, broekhan, brakhan, lawei, koollaweit, koolaard, wiewouter(cfr Vijfwouter Vlinder), bosgaai, kulaard, Heger(t), bonte melder, wierewuit, wielewuit, willewuit, Anne, annegat, weytenroetaard, kolen, iekster, blauwe hennow, bonte melder/meirel/merel, roeter

 

G) De Pijlenbrug

Korte historiek

cfr dokumentatie van François Van Uffelen

De precieze bouwdatum van de Pijlenbrug is ons tot op heden ongekend, net als zijn ontwerper en diegene die ze gemaakt heeft. Wel bestaat er een foto van de Pijlenbrug die gedateerd is in 1869 en deel uitmaakt van een fotoalbum van het park. De Pijlenbrug was één van de pareltjes uit het kasteelpark dat vroeger ook wel eens "Klein Versailles" werd genoemd. Na het overlijden van Baron Henri Van de Werve en van Schilde werd het kasteel niet meer bewoond en onderhouden, net zoals het omliggende park. Na de dood van zijn schoondochter barones Françoise de la Boessière-Thiennes gaat het snel bergaf met het kasteeldomein. Het "tempeltje" en de "bobine" worden al vlug een ruïne, de Pijlenbrug een roestig geheel. Weer en wind, souveniersjagers en spelende kinderen krijgen de vrije hand met het gekende nefaste gevolg.

In 1974 neemt het gemeentebestuur de beslissing tot een, haastige, herstelling van de Pijlenbrug, vooral om veiligheidsredenen. Esthetisch niet al te fraai maar het heeft de brug wel van de volledige ondergang gered. Het effect van die laatste opknapbeurt is na 15 jaar praktisch uitgewerkt en het verval kreeg weer de bovenhand.

Begin 1990 vond Frans Huysmans dat het zo niet meer verder kon en in de schoot van het Davidsfonds lanceert hij een krachtige oproep tot het behoud en de restauratie van de Pijlenbrug. De Heemkundige Kring Scilla stapt mee in zee en er wordt en werkgroep opgericht met als leden: Frans Huysmans, Jan Peeters, Jef Jochems en Leon Lembrechts. In juli '90 wordt er een oproep gedaan naar alle verenigingen en inwoners van de gemeente voor een financiële bijdrage. Met het gemeentebestuur werd een overeenkomst bereikt dat de technische dienst van de gemeente de werken zal uitvoeren en dat de werkgroep moet instaan voor het nodige materiaal. Deze kosten worden geraamd op 75.000 tot 100.000 frank. Na enkele maanden brengt de aktie "Red de Pijlenbrug" 40.000 frank bij elkaar en valt dan wat stil. Men blijft echter niet bij de pakken zitten en vooral Frans Huysmans verzet heel wat voorbereidend werk. Het plotse overlijden van Frans Huysmans op het einde van dat jaar zette wel even een domper op het werk maar daar Jan Peeters zijn taak overnam was de zaak niet verloren.

Het restauratiewerk zelf was schromelijk onderschat en dit zowel op financieel als op technisch vlak. na een groot jaar van voorbereiding heeft Scilla een smid, Eduard Bogaerts, aangeworven om gans de brug te restaureren. Het gemeentebestuur heeft in zijn begroting van 1993 hiervoor de nodige gelden voorzien en geeft ook administratieve steun. De werken zijn gestart maart '93 en waren praktisch klaar op de parkdag van 29 mei 1994.

Nu(anno 1997) verdient de pijlenbrug opnieuw een opknapbeurt.

 

H) De Dodoenstuin

Bron: VMPA afd. Schilde, Werkgroep Dodoenstuin Schilde

Folder: DODOENSTUIN Schildehof.

-De Dodoenstuin is een kruidentuin, opgedragen aan de grote Vlaamse kruidkundige Rembert Dodoens. De bedoeling is de bezoeker een getrouw beeld te geven van een tuin ten tijde van Dodoens(16 eeuw). De Dodoenstuin bevat enkel kruiden van het Cruydeboeck van Dodoens.

-Rembert Dodoens: zoon van een Friese arts en een Mechelse moeder, geboren te Mechelen in 1517. Hij studeerde medicijnen te Leuven(13 tot 18 jaar!).

Zijn Cruydeboeck ( in het "Nederlands"!) verscheen in 1554, met 1060 Nederlandse plantennamen, 715 mooie houtsnede tekeningen.

Hofarts in Wenen van 1574 tot 1580

Meesterwerk (te Antw. 1583): Stirpium historiae pemptades sex sivre libri XXX

Hoogleraar te Leiden in 1582 tot aan zijn dood in 1585

-De Dodoenstuin is aangelegd op de plaats van de voormalige moestuin van Schildehof. De tuinpoort en de orangerie zijn de enige originele overblijfselen van deze grote moestuin. Er zijn middeleeuwse kenmerken in terug te vinden: de aaneenschakeling van kruidebedden, dewelke een gesloten indruk geeft.

Renaissance kenmerken: het opdelen in twaalf deeltuinjes op een speelse manier.

-Wat zijn kruiden?

Botanisch, planten die geen houtgewassen zijn.

Spraakgebruik: kruiden zijn planten met een speciale gebruikswaarde:

geneeskruiden, keukenkruiden, technische gewassen, genotsplanten en de plantlore-kruiden(folklore).

-Een rondgang doorheen de historische tuin.

Toegangspoort

Zonnewijzer

Hagen gebruikt om de 12 deeltuintjes te maken in de historische tuin.

Enkele voorkomende kruiden:

Wonderboom(id.), Knoflook(Tam loock), Ui(Aijeuijn), Prei(Pareye), Bieslook(Biesloock), Blauwe monnikskap(Blauw wolfswortel), Bilzekruid(Swerten bilsen), Wolfskers(Groote nascaye), Gevlekte Scheerling(Scheerlinck), Gevlekt longkruid(Onser vrouwen melkcruyt), Stinkende Gouwe(Groote gouwe), Sint-Janskruid(Sint Jans cruyt), Groot vingerhoedskruid(Vingerhoet cruyt), Paardebloem(Papecruyt), Jeneverbes(Cleyn genever), Mannetjesvaren(Varen manneken), Adelaarsvaren(Varen wijfken), Boerenwormkruid(Reijnvaer), Moerasspirea(Reynette), Gewoon duizendblad(Geruwe).

-Andere tuinen:

Keukenkruiden

Cosmetische kruiden

Verfkruiden

Stadskruiden

Nijverheidsgewassen

Moestuintjes VELT-leden

 

I) de Bijentuin

Bron: VMPA afd. Schilde, Folder: BIJENTUIN: Bloemen- en insektentuin in Schildehof.

Thema: wederzijdse ecologische relatie tussen bloemen en insekten.

De geslachtelijke voortplanting werd bij planten pas eerst aangetoond door de Duitse dokter en plantkundige Rudolph Jacob CAMERARIUS(1665-1721), dan pas daarna een eerste moderne indeling van planten door de beroemde Zweedse plantkundige Carolus LINNAEUS(1707-1778).

De rol van de insekten bij kruisbestuiving werd door de Duitse onderzoekers Kölreuter en Sprengel ontdekt(eind 18e eeuw), pas bekend gemaakt door C. DARWIN(1809-1882).

Bloemen, bestuiving en bevruchting

Enkele belangrijke bloemtypen(insektenbloeiers)

De bloemvormen kunnen in een aantal hoofdtypen(bloemklassen) ingedeeld worden.

Bloemen van type 1 zijn het minst geëvolueerd, die van type 4 en 5 het meest.

Type1: vbn. Ranonkelfamilie(boterbloem), Rozenfamilie, Ooievaarsbekfamilie, Papaverfamilie

Type 2: vbn. Anjerfamilie(silenes en koekoeksbloemen), Sleutelbloemfamilie(sleutelbloemen)

Type 3: vbn Klokjesfamilie, Narcissenfamilie, Windefamilie

Type 4: vbn. Duivekervelfamilie, Ranonkelfamilie(Monnikskap), Vlinderbloemenfamilie

Type 5: vbn. Helmkruidfamilie(Ogentroost, Vlasbekje, e.a.), Lipbloemenfamile, Orchideeënfamilie

Klasse Po: stuifmeel- of pollenbloemen(geen nectar)

Variant type 1: Schermbloemigen

Variant type 2: Composieten

Overgangsvormen zijn ook mogelijk

De belangrijkste bloembestuivers

Kevers(Coleoptera), Vliegen(Diptera), Vlinders(Lepidopter), Wespen(Hymenoptera), Bijen en hommels(Hymenoptera), Honingbij(Hymenopter

De bijentuin

1) Akker: drieslagstelsel(aardappelen, rogge, bladrapen)

2) Hooiland en oude veedrinkpoel: met moerasplanten en allerlei kruiden

3) Wegberm: enkele malen maaien en afvoeren doet bloemrijke bermen ontstaan

4) Boomgaard: enkele oude rassen van fruitbomen

5) Vijvertje en moeras: meest bedreigde biotoop, water- en moerasplanten behoren tot de mooiste planten uit onze flora.

6) Wilgenstruweel: wilgen vormen dicht struikgewas: struwelen. Voorjaarsinsekten.

7) Heide: bijna verdwenen. Dophei(nat), Struikhei(droger).

8) Siertuin: insektlokkende planten

9) Boerentuintje: snijbloemen naast nutsplanten

10) Vlinderhoekje: Vlinderstruiken en seringen

11) Inheemse loofheg: laatste toevluchtsoord van inheemse planten.

12) Bremstruweel: Fraaie struik van de droge zandgrond

13) Krenteboompjes: krachtige bloei in april

14) Leshoekje

Wat verzamelen Honingbijen op planten?

Nectar, stuifmeel, voorwas, honingdauw

Enkele voorbeelden van bloembouw en bloembezoek in de tuin

Appel, Dagkoekoeksbloem, Slanke Sleutelbloem, Klokje, Honingklaver, Veldlathyrus, Rolklaver, Brem, Brede Wespenorchis, Scharlei, Vlasbekje, Wilgeroosje, Wilde kamperfoelie, Gevlekte Aronskelk.

 

 

J)Kwistenbiebel project

Dokumentatie François Van Uffelen.

Kwistenbiebel is een origineel natuurbeschermingsprojekt, dat in maart 1990 gelanceerd werd door de Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming (JNM vzw), afdeling Voorkempen en de Natuurwerkgroep de Pont..

Kwistenbiebel is een begrazingsprojekt in het natuurreservaat "De Pont", dat deel uitmaakt van het Gemeentepark van Schilde (Schildehof), in het hartje van de Antwerpse Voorkempen, aan de rechteroever van het Groot Schijn. Ondanks z'n bescheiden oppervlakte(10ha) is de Pont toch een bijzonder waardevol en erg gevarieerd natuurgebied. Tal van biotopen en landschappen, die typerend waren voor de streek maar nu teruggedrongen zijn tot in natuurreservaten, zijn erin terug te vinden: oud loofbos, hooiland, rietkragen, open water, moerasbos, elzenhakhout, pioniersbos, bloemrijke ruigten, ...

Deze landschappelijke variatie vertaalt zich in een indrukwekkende planten- en dierenrijkdom:

tussen Vogelmelk, Duizendguldenkruid, Kruipganzerik, Langbladige ereprijs en andere vaak zeldzame planten leven Ree, Bunzing, Hermelijn, en talrijke vogelsoorten: IJsvogel, Bosuil, 4 spechtesoorten, Waterral, Blauwborst, Rietgors, Sprinkhaan(riet)zanger, Nachtegaal, ...

Dit "groen paradijs" bestaat gedeeltelijk uit halfnatuurlijke landschappen ( de rietkragen, hooilanden en het elzenhakhout), die door beheersmaatregelen (zoals kappen en maaien) in stand worden gehouden. Het beboste gedeelte wordt niet beheerd en mag zich ontwikkelen tot "natuurbos". Daarnaast wordt ook nog een gedeelte van 3 à 4 ha begraasd door 3 ezelsmerries (Kwist, Biebel en Doedel) in het kader van het Kwistenbiebelprojekt.

De extensieve begrazing met 3 ezels zorgt ervoor dat het omheinde gedeelte zijn gevarieerd halfopen karakter behoudt: een kleinschalige afwisseling van bosschages, struweel, bloemrijke ruigten en soortenrijke natte en droge graslanden. De ezels blijven gans het jaar ter plaatse, zodat de natuurlijke evolutie naar bos wordt afgeremd. daardoor krijgen we tal van dieren en planten, die typerend zijn voor halfopen natuurgebieden, typische bosplanten zoals Bosanemoon en Speenkruid wisselen af met graslandsoorten(Duizendguldenkruid, Vogelmelk, Margriet, Ereprijs, ...), moerasplanten (Gele Lis, Penningkruid, Moerasspirea, ...) en ruigtekruiden (Leverkruid, Speerdistel, Wederik, ...).

Deze bloemrijke variatie trekt tal van insekten aan, waaronder ook weinig algemene vlinders zoals Bont Dikkopje, Icarusblauwtje, Vuurvlindertje en Hooibeestje. Deze insektenrijkdom is dan weer de basis voor de talloze zangvogels die in het struikgewas en de ruigten nestelen: Gekraagde roodstaart, Bosrietzanger, Grasmus, ... De beboste stukken herbergen Torenvalk, Groene Specht, Boomklever, ... Reeën foerageren op de grazige gedeelten, Bunzing en Hermelijn hebben er hun jachtterrein.

De ezels hebben een uitgebreid menu, waartoe ook ruigtekruiden als Brandnetels, Pitrus, Bramen en Distels behoren. In de winter voeden ze zich vnl. met (verdorde) grassen en kruiden, mos, twijgen, enz. In deze periode durven ze ook wel eens bomen of struiken "schillen" (d.i. het afknabbelen van de schors), zodat deze afsterven. Daardoor wordt de verbossing afgeremd en komt er veel dood hout, dat tal van insekten en insektenetende vogel aantrekt. Het schillen gebeurt wel selektief: sommige soorten worden zeer veel geschild (Es en Olm bv.) andere matig (bv. Wilg en Els) tot niet (Esdoorn, Linde, Sleedoorn, ...). Het graasdomein zal dus zeker niet evolueren tot een "kale wei" maar gedeeltelijk bebost blijven. Wél zullen sommige soorten verdwijnen, andere zullen in aantal toenemen.

De ezels zijn winterhard en aangepast aan een leven in de vrije natuur. Ze vinden alles wat goed voor hen is binnen de omheining. Vandaar dat ze niet bijgevoederd moeten worden(ook niet in de winter); we vragen dan ook de ezels niet te voederen: dit kan hun gezondheid enkel schaden!!

Het Kwistenbiebel-projekt wordt begeleid door twee biologen en een dierenarts..

 

 

K) Biotopen en Fauna in het heempark De Pont

Tekst: De vereniging van de ouders van de jongensschool van 's Gravenwezel

In het oostelijk deel van Schildehof bevindt het 8 ha grote heempark de Pont. Interessant aan dit Heempark is dat er een concentratie van biotopen is op één plaats wat een grote educatieve waarde heeft. Alle ontwikkelingsstadia zijn hier aanwezig: open water met rietland, moerasbos, pioniersbos, oud loofbos met aanwezigheid van dood hout, grasland, hooiland.

Het natuurbehoud in het algemeen streeft ernaar zoveel mogelijk levensgemeenschappen van inheemse planten en dieren in stand te houden.

Eén van de belangrijkste principes van natuurbeheer bestaat in het verschralen van de bodem. Dit kan gebeuren door het maaien op vaste tijdstippen en het afvoeren van het maaisel. gebeurt dit niet, dan wordt de bodem verrijkt, waardoor meer algemene, stikstoflievende planten (bv. netels en hondsdraf) de zeldzamere, meer specifieke plantensoorten gaan verdringen.

BIOTOPEN IN HET HEEMPARK DE PONT

1) VIJVER

Een vijver met stilstaand water evolueert zonder beheersmaatregelen over rietland naar moerasbos. Om de verlanding tegen te gaan, dienen dan ook regelmatig water- en oeverplanten verwijderd te worden.

2) RIETKRAGEN

Om het rietland in stand te houden wordt om de 3 jaar in de winterperiode het riet gemaaid. Het niet maaien leidt tot het opslaan van houtgewassen en het ontstaan van moerasbos.

3) BOS

Bijna nergens in Vlaanderen vinden we nog de uiteindelijke climax vegetatie van een bos zoals in een oerwoud. In Schildepark tracht men een natuurlijk bos te creëren. Dit gebeurt door volgende beheersmaatregelen:

- het laten liggen van dood hout

- het verwijderen van exoten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia ...) om het streekeigen karakter van het bos te behouden

- het creëren van open plekken in het bos door het omzagen, het ringen en omtrekken van bomen

In zo een "oerbos is er een voortdurende generatie(groei) en degeneratie(afbraak van dood hout), zodat er een maximum aan levensvormen kan behouden worden. Vooral in de herfst kan men vele prachtige paddestoelen bewonderen op het staand en liggend hout.

In het reservaat komen 4 types bos voor: MOERASBOS, PIONIERSBOS< OUD LOOFBOS en ELZENHAKHOUTBOS.

4) GRASLANDEN

Graslanden zijn meestal ontstaan door een menselijke ingreep in het landschap. In het Heempark worden we geconfronteerd met 3 types van grasland. nl. BLAUWGRASLAND(genoemd naar de groenblauwe kleur van vnl. zeggesoorten), ORCHIDEEENWEIDE, VLINDERWEITJE.

 

DE FAUNA IN HET HEEMPARK DE PONT

In de rietkragen broeden jaarlijks een tiental karekieten en in mindere mate ook rietgorzen en sprinkhaan(riet)zangers. Sommige jaren is zelfs de blauwborst van de partij. Wanneer in het voorjaar de waterstand voldoende hoog is brengt de dodaars, onze kleinste futensoort, er steevast zijn jongen groot. Lage waterstanden zijn dan weer meer geschikt voor steltlopers, die hun noordelijke broedgebieden soms vroeg verlaten en eind juli al ter plaatse zijn: groenpootruiter, zwarte ruiter, witgatje, oeverloper, watersnip en bokje.

De gevarieerde bosrand rondom het heempark biedt aan veel wat merkwaardige vogels een geschikt broedgebied. Om de meest voorkomende te noemen: wielewaal, torenvalk, nachtegaal, bosrietzanger. Door de aanwezigheid van het dode hout broeden hier de groene specht, de kleine en de grote bonte specht. Van de zwarte specht, die hier in de winter aanwezig is, hebben we nog geen broedgeval kunnen vaststellen.

Ook de winter brengt zijn zeldzame gasten mee, wanneer het niet te fel gaat vriezen trachten roerdomp en waterral te overwinteren. Ook de blauwe kiekendief vertoeft hier dan soms enkele weken. De buizerd verkiest het meer open terrein achteraan tegen de Schijn.

Maar er zijn niet alleen vogels, ook andere dieren hebben water nodig voor hun voortplanting zoals de bruine kikkers, die al vroeg in het jaar met hopen dril voor het nageslacht zorgen. Even later komen de padden met hun typische snoeren en als laatstee ontwaken de meer aan het water gebonden groene kikkers. In de kleinere poeltjes zorgen de salamanders voor nakomelingen en wel drie verschillende soorten: vinpoot-, alpenwater- en kleine watersalamander.

De zoogdieren zijn schuwer en moeilijker te observeren. Maar enkele horen of zien we toch regelmatig: ree, bunzing en eekhoorn.

Het behoud van deze diversiteit is enkel mogelijk door een doelgericht beheer. Iedereen die hieraan op vrijwillige basis wil meewerken is van harte welkom.