DEKENAAL NIEUWS

Elke week verschijnt in elk parochieblad van het dekenaat een zelfde rubriek “Dekenaal nieuws”. Daarin lees je belangrijke gebeurtenissen, vergaderingen en verslagjes van dekenale aard.
Wie graag iets wil publiceren kan contact opnemen met parochieassistente Petra Mussche via petra.mussche@scarlet.be

 

 

De voorbije 5 werkjaren verscheen er wekelijks in de dekenale rubriek van het parochieblad, een inhoudelijk stukje. Telkens sloten we thematisch aan bij het onderwerp dat de bisschoppen vooropstelden als pastoraal thema voor dat werkjaar.

Klik hier voor de nieuwste reeks: OPEN-BIJBEL

 

Een druppel inkt

In het jaar van de diaconie (2002-2003) brachten we vrijwilligers in beeld die op een of andere manier een deel van hun leven wijden aan de dienst voor anderen mensen.

Deze artikeltjes werden toen gebundeld in het boekje “Een druppel inkt”.

 

Verkondiging

Het jaar van de verkondiging (2003-2004) was de aanleiding om inhoudelijke bijdragen te publiceren van de hand van E.H. Chris Simoens.

 

Geroepen om te vieren

In 2004-2005 werkten we rond “Het jaar van de liturgie”, waarbij we verschillende aspecten van de liturgie hebben belicht.

 

Waar men gaat langs Vlaamse wegen…

Het werkjaar 2005-2006, was “Het jaar van het gebed”. Het resultaat was een dubbele fietstocht langsheen de kapelletjes van ons dekenaat.

De beschrijving van deze tochten en kapelletjes werd gebundeld in het boekje “Waar men gaat langs Vlaamse wegen”.

 

Licht-gelovig

We kozen in het werkjaar 2006-2007 voor getuigenissen van mensen die op een of andere manier het christelijk geloof in hun leven een plaatsje geven.

Hieronder vind je per maand gegroepeerd, alle getuigenissen.

De bijdragen zijn ook verkrijgbaar in boekvorm.

 

LICHT-GELOVIG in september 2006

LICHT-GELOVIG in oktober 2006

LICHT-GELOVIG in november 2006

LICHT-GELOVIG in december 2006

LICHT-GELOVIG in januari 2007

LICHT-GELOVIG in februari 2007

LICHT-GELOVIG in maart 2007

LICHT-GELOVIG in april 2007

LICHT-GELOVIG in mei 2007

LICHT-GELOVIG in juni 2007

 

 

God(s)-in-beeld

In het werkjaar 2007-2008 brachten we God in beeld. Foto’s vormden daarbij het hoofdaccent. We publiceerden elke week een foto van God. Of anders gezegd : we toonden plaatsen, mensen, gebeurtenissen waar God zichtbaar wordt. Want God toont zich overal, als we Hem willen ontdekken.

Een kleurenafdruk van de foto’s met korte commentaar is verkrijgbaar mits betaling van de druk- en verzendingskosten (7 euro).

 

 

Open Bijbel

2008-2009 is het jaar waarin we “God ontmoeten in zijn Woord”. Tien maanden lang verschijnt wekelijks een bijbeltekst op de voorpagina van het parochieblad. De keuze van de lezer is het criterium. Ontdek samen met hen inspirerende, verrassende, choquerende of poëtische bijbelstukjes.

 

 

Keuze van E.H. Pastoor G. David                                    3 september 2008

Mc 9, 38-41 stemt tot nadenken

 

Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’ Jezus zei: ‘Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden.

 

 

Keuze van E.H. J. Laureyns                                             10 september 2008

1 Kon. 3-14

 

In Gibeon verscheen de heer ’s nachts in een droom aan Salomo en zei: ‘Wat wilt u dat Ik u geef?’ Salomo antwoordde: ‘U hebt uw dienaar David, mijn vader, een grote gunst bewezen, omdat hij trouw, rechtschapen en met een eerlijk hart jegens U, wandelde voor uw aangezicht. U hebt hem een zoon gegeven die nu op zijn troon zetelt. Welnu, heer mijn God, U hebt uw dienaar tot koning verheven als opvolger van mijn vader David, hoewel ik maar een jonge man ben en nog niet weet wat ik doen of laten moet. Zo staat uw dienaar te midden van het volk dat U uitverkoren hebt, een groot volk, zo groot dat het niet te tellen of te schatten is. Geef dus uw dienaar een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken voor uw volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed n kwaad. Want wie is in staat recht te spreken voor dit grote volk van U?’ Dat Salomo dit vroeg beviel de Heer. En God zei tegen hem: ‘Omdat u juist dit gevraagd hebt en geen lang leven, en geen rijkdom of de dood van uw vijanden hebt gevraagd, maar alleen inzicht om recht te kunnen spreken, daarom voldoe Ik aan uw verzoek en geef Ik u een geest zo vol wijsheid en inzicht dat er niemand voor u was en niemand na u komt die u evenaart. En ook wat u niet gevraagd hebt geef Ik u: rijkdom en aanzien, zoveel dat geen koning u kan evenaren, zolang u leeft. En als u mijn wegen bewandelt, mijn wetten en geboden onderhoudt, zoals uw vader David gedaan heeft, dan zal Ik u ook nog een lang leven schenken.’

 

 

Keuze van E.H. C. Simoens                                              17 september 2008

Ruth 1,7-19

 

Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, zei Noömi: ‘Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man,’ en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit en zeiden: ‘Maar we willen met u terugkeren naar uw volk!’ ‘Ga terug, mijn dochters,’ zei Noömi, ‘waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld –zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.’ Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde.  ‘Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god,’ zei Noömi, ‘ga haar toch achterna!’ Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!’  Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem.

 

 

Keuze van E.H. Deken S. Annaert                                   24 september 2008

Jesaia  42, 1-4

 

De Dienaar

Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen,
hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde,
ik heb hem met mijn geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.

Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,
hij roept niet luidkeels in het openbaar;

het geknakte riet breekt hij niet af,
de kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.

Ongebroken en vol vuur
zal hij het recht op aarde vestigen;
de eilanden zien naar zijn onderricht uit.

 

 

 

Keuze van Jacques Corryn                                              1 oktober 2008

2 Korintiers 11, 25-28

 

Ik ben driemaal met stokslagen gestraft, ik ben eenmaal met stenen bekogeld en heb driemaal schipbreuk geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven. Voortdurend was ik onderweg, bedreigd door rivieren, rovers, volksgenoten en vreemdelingen, in gevaar in de stad, in de woestijn, op zee en te midden van schijngelovigen. Ik heb gezwoegd en geploeterd, vaak zonder te slapen, hongerig en dorstig, vaak zonder te eten, verkleumd en zonder kleren. En dan laat ik al het andere nog buiten beschouwing: de druk waaronder ik dagelijks sta vanwege mijn zorg voor de gemeenten.

 

 

 

Keuze Van Thérèse Speeckaert                                      8 oktober 2008

Psalm 139

 

Heer, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten,

ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd.

Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle.

U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij.

Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.

Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,

hoe aan uw blikken ontkomen?

Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,

al ging ik wonen voorbij de verste zee,

ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden.

Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,

het licht om mij heen veranderen in nacht,’

ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –

de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,

wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

Toen ik in het verborgene gemaakt werd,

kunstig geweven in de schoot van de aarde,

was mijn wezen voor u geen geheim.

Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,

alles werd in uw boekrol opgetekend,

aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal,

ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.

Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

God, breng de zondaars om,

– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –

ze spreken kwaadaardig over u, uw vijanden misbruiken uw naam.

Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan?

Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn mijn vijand geworden.

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt,

zie of ik geen verkeerde weg ga,

en leid mij over de weg die eeuwig is.

 

 

 

Keuze van Rony Van Hecke                                             15 oktober 2008

1Kor 15, 45-58

 

Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid. Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen. Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet. Maar laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft.

Kortom, geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn.

 

 

 

Keuze van E.H. Pastoor G. David                                    22 oktober 2008

Lc 6, 36-46 is verontrustend

 

Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’

Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.

Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen,” terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen.

Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over.

Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg?

 

 

 

Keuze van E.H. Pastoor C. Simoens                               29 oktober 2008

Gen 9,8-17

 

Ook zei God tegen Noach en zijn zonen: ‘Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. Als ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. Dit,’ zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’

 

 

 

Keuze van E.H. Deken S. Annaert                                   5 november 2008

Johannesproloog 1,1-18

 

Het Woord is mens geworden.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.

    Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.

     Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’ Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.

 

 

Keuze van Jacques Corryn                                              12 november 2008

Handelingen 27,9-38

 

Veel tijd was er verloren gegaan, de vasten was al voorbij en het varen werd gevaarlijk. Daarom waarschuwde Paulus hen. ‘Mannen,’ zei hij, ‘verder varen is roekeloos; ik voorzie grote risico’s, niet alleen voor schip en lading, maar ook voor ons leven.’ Maar de centurio ging liever af op de kapitein en de eigenaar dan op wat Paulus had gezegd.  Omdat de haven niet geschikt was om er te overwinteren, besloot de meerderheid verder te varen om zo mogelijk Feniks te bereiken, een haven op Kreta die op het westen ligt, en daar te overwinteren. Toen er een lichte zuidenwind opstak, dachten ze hun doel al bereikt te hebben. Ze lichtten het anker en zeilden vlak onder de kust van Kreta. Maar het duurde niet lang of vanaf het eiland begon een zware storm te razen, de zogenaamde euraquilo. Het schip werd meegesleurd en kon de kop niet in de wind houden. We moesten het opgeven en ons laten meevoeren. Toen we in de luwte van het eilandje Klauda kwamen, slaagden we er met moeite in de sloep te pakken te krijgen. Nadat ze die aan boord gehesen hadden, troffen ze veiligheidsmaatregelen; ze sloegen kabels om de romp. Uit angst op de Syrte geworpen te worden, zetten ze zeil bij en lieten zich zo meevoeren. De volgende dag, toen we zeer zwaar weer hadden, begonnen ze spullen overboord te zetten en op de derde dag kapten ze eigenhandig het tuig. Zon en sterren waren vele dagen lang niet te zien, de storm minderde niet, en uiteindelijk werd ons alle hoop op redding ontnomen. Zin in eten had bijna niemand meer. Toen ging Paulus in hun midden staan en zei: ‘Hadden ze maar naar mij geluisterd, mannen. Ze hadden nooit van Kreta moeten wegvaren en roekeloos zulke risico’s lopen. Maar zelfs nu raad ik jullie aan moed te houden. Niemands leven zal verloren gaan, alleen het schip. Want vannacht kwam er van de God die ik toebehoor en die ik dien, een engel bij me. Hij heeft mij gezegd: “Wees niet bang, Paulus. Jij moet voor de keizer komen en omwille van jou heeft God al je reisgenoten begenadigd.”Houd daarom moed, mannen, want ik heb vertrouwen in God dat het precies zo zal gaan als mij gezegd is. We moeten op een of ander eiland belanden.’

Het was de veertiende nacht en we waren nog steeds op drift in de Adriatische Zee, toen, rond middernacht, de bemanning vermoedde dat er land naderde. Met het dieplood peilden ze twintig vadem, en toen ze even verder opnieuw het lood uitwierpen peilden ze vijftien vadem. Uit angst dat we op een klip zouden lopen, gooiden ze vanaf de achtersteven vier ankers uit, en ze wensten vurig dat het dag zou worden. De bemanning wilde het schip verlaten. Ze lieten de sloep in zee zakken alsof ze vanaf de voorsteven ankers wilden gaan uitbrengen. Toen zei Paulus tegen de centurio en zijn soldaten: ‘Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet gered worden.’ Daarop kapten de soldaten de touwen van de sloep en lieten hem in zee vallen. Voordat de dag zou aanbreken, drong Paulus erop aan dat ze allemaal zouden eten. Hij zei: ‘Jullie zitten nu al veertien dagen in spanning zonder te eten, zonder iets tot je te nemen. Daarom dring ik erop aan dat jullie eten. Het is voor je eigen behoud; jullie zullen er immers allemaal zonder een schrammetje afkomen.’Daarna nam hij een brood, dankte God in het bijzijn van allen, brak het en begon te eten. Toen vatte iedereen moed en nam ook iets te eten. We waren aan boord met in totaal tweehonderzesenzeventig mensen. Toen ze genoeg gegeten hadden, maakten ze het schip lichter door het graan in zee te gooien.

 

 

 

Keuze van Cecile Audenaert                                           19 november

Johannes 15, 1-11

 

‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij, opdat hij meer vruchten draagt. Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb. Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen. Wie niet in mij blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.

Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn.

 

 

Keuze van Jacqueline De Mol                                          26 november

Johannes 3, 1-10

 

Zo was er een Farizeeër, een van de Joodse leiders, met de naam Nikodemus. Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. ‘Rabbi,’ zei hij, ‘wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht.’ Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ ‘Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?’ vroeg Nikodemus. ‘Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden?’ Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest. Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden. De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is.’  ‘Maar hoe kan dat?’ vroeg Nikodemus. ‘Begrijpt u dit niet,’ zei Jezus, ‘terwijl u een leraar van Israël bent?

 

 

 

Keuze van Denise Schamphelaere                                 3 december

Fil 2,1-4

 

Als dan vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging iets vermogen,

als gemeenschap van Geest,

als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen,

maak dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken,

uw eenheid in de liefde,

uw saamhorigheid en eensgezindheid.

Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.

Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naaste.

Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus bezielde.

 

 

Keuze van Frans Declercq                                               10 december

Joh 9, 1-23

 

In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’  ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.

Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de Farizeeën. De dag dat Jezus modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk een sabbat. Ook de Farizeeën vroegen hoe het kwam dat hij kon zien. En weer vertelde hij: ‘Hij heeft wat modder op mijn ogen gedaan, ik heb me gewassen en nu kan ik zien.’ Sommige Farizeeën meenden: ‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat,’ maar anderen zeiden: ‘Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?’ Er ontstond verdeeldheid. Daarop vroegen ze aan de blinde: ‘Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij genezen heeft.’ ‘Hij is een profeet,’ was zijn antwoord.

Maar de Joden wilden niet geloven dat hij blind geweest was en nu kon zien. Ze riepen zijn ouders en vroegen hun: ‘Is dat uw zoon die blind geboren zou zijn? Hoe kan hij dan nu zien?’ ‘Dit is onze zoon,’ zeiden zijn ouders, ‘en hij is blind geboren, dat weten we zeker. Maar hoe hij nu kan zien, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.’ Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de Joden, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen die Jezus als de messias zou erkennen uit de synagoge zouden zetten. Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen.

 

 

 

Keuze van E.H. Pastoor Chris Simoens                         17 december

Jes 40, 1-11 een adventstekst

 

Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

 Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!’

Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

 

Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.’

Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.

Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’

 

Ziehier God, de HEER!

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

Als een herder weidt hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

 

 

 

Keuze bij het feest van Kerstmis                                    24 december

Lc 2,10-11

 

Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde voor het hele volk. Vandaag is in de stad van David uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer.

 

 

 


Keuze van E.H. Pastoor G. David + E.H. Pastoor C.Simoens            30 december

Psalm 8 een mooi bijbels gebed

 

Voor de leider van de muzikanten, bij de wijnoogst.

Een zangstuk op naam van David.

  

Heer, onze Heer,

hoe machtig is uw naam

overal op aarde.

Uw hemelhoge pracht wordt zelfs bezongen

door de mond van kind en van zuigeling.

Een hoge burcht trok U op tegen uw tegenstanders,

de wraakzuchtige vijand sloeg U terug.

Als ik de hemelkoepel zie, door uw vingers gevormd,

als ik maan en sterren zie, door U daar aangebracht:

wat is de mens, dat U aan hem denkt,

en het mensenkind, dat U voor hem zorgt?

U hebt van de mens bijna een god gemaakt,

omkranst met glorie en pracht.

U laat hem heersen over het werk van uw handen,

alles hebt U aan zijn voeten gelegd,

kleinvee en grootvee, allemaal, en ook de dieren in het wild,

vogels van de hemel en vissen van de zee,

alles wat de oceaan doorkruist.

Heer, onze Heer,

hoe machtig is uw naam

overal op aarde.

 

 

Keuze van Jacques Corryn                                               7 januari

psalm 107,23-30 

 

Sommigen varen met hun schepen op de zee,

Vervullen hun taak op het machtige water;

Die mensen zagen met eigen ogen

De wonderdaden van de heer op de oceaan:

Op zijn bevel stak de stormwind op,

Op zijn bevel gaan de golven hoog;

Nu eens rijzen zij op tot de hemel,

Dan weer vallen zij in de diepte:

In dat gevaar ontzonk hun de moed.

Zij tollen, slingeren als dronkaards rond,

Het is afgelopen met hun stuurmanskunst.

In hun nood riepen zij de heer aan,

En hij redde hen uit hun ellende.

Hij wist de storm tot zwijgen te brengen,

Zo viel het geweld van de golven stil.

Wat waren ze blij toen die gingen liggen:

Hij bracht hen naar de gewenste haven.

 

 

Keuze van Jacqueline De Mol                                          14 januari

Joh 2,1-11

 

Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ ‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde – hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel – riep hij de bruidegom en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 21 januari

Dt 6,1-12      Een Joodse sleuteltekst

 

Dit zijn de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u in opdracht van de heer uw God moet leren. Volbreng ze in het land dat u aan de overkant in bezit gaat nemen, en vrees God heel uw leven, met uw kinderen en kleinkinderen. Vrees God door al zijn voorschriften en geboden na te komen die ik u opleg. Dan zult u lang blijven leven.

Luister Israël, en volbreng ze nauwgezet. Dan zult u gelukkig zijn en talrijk worden in het land dat overvloeit van melk en honing, dat de heer, de God van uw vaderen, u heeft beloofd.

Luister Israël! De heer is onze God, de heer is de Enige. U zult de heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u vandaag voorschrijf, moet u in uw hart prenten. Spreek er met uw kinderen telkens opnieuw over, wanneer u thuis bent en onderweg, als u slapen gaat en opstaat. Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd. Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.

Wanneer de heer uw God u in het land gebracht heeft dat Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, een land met grote en prachtige steden die u niet gebouwd hebt, met huizen vol kostbare dingen die u niet gevuld hebt, met gehouwen regenbakken die u niet hebt uitgekapt, met wijngaarden en olijfbomen die u niet hebt geplant, en wanneer u dan in overvloed te eten hebt, zorg er dan voor de heer niet te vergeten, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis.

 

 

Keuze van Kristine Scheire                                              28 januari

Handelingen 1,1-11            Voor mij zijn de Handelingen het beginstuk om een Bijbel door te nemen, om een sfeer te proeven van de tijd waaruit de Bijbel zijn oorsprong ook vond, een uitnodiging om te “handelen”….

 

In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.

Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’

Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’

 

 

Keuze van Diane Sedeyn                                                  4 februari

Jezus Sirach 2, 1-11         

 

Vertrouwen ondanks tegenspoed

Mijn kind, wanneer je de Heer gaat dienen,

bereid je dan voor op beproevingen. 

Laat je hart de juiste weg inslaan,

laat het sterk zijn,

en wind je niet op als de tegenspoed komt.

Houd je aan Hem vast en laat Hem niet los:

dan zul je uiteindelijk groter worden.

Alles wat je overkomt moet je aanvaarden;

je moet geduldig zijn

in de gebeurtenissen die je vernederen.

Want goud wordt in het vuur beproefd,

en de mens die God aangenaam is

in de oven van de vernedering.

Vertrouw op Hem en Hij zal je helpen;

bewandel rechte wegen en stel je hoop op Hem.

Jij die de Heer vreest, verwacht zijn erbarming

en wijk niet af van de weg: je zou kunnen vallen.

Jij die de Heer vreest, vertrouw op Hem

en je loon blijft zeker niet uit.

Jij die de Heer vreest, hoop op het goede,

op eeuwige blijdschap en medelijden.

Richt je ogen op de generaties van vroeger en zie:

is er iemand geweest die op de Heer vertrouwde

en beschaamd werd?

Heeft er iemand in de vrees voor Hem volhard

die in de steek gelaten werd?

Heeft iemand Hem aangeroepen

zonder verhoord te worden?

Want de Heer is barmhartig en genadig.

Hij vergeeft de zonden

en redt op het ogenblik van de onderdrukking.

 

 

 

Keuze van Petra Mussche                                                11 februari

Hooglied 8, 6-7        Een valentijnstekst

 

Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel aan je arm:

want de liefde is sterk als de dood,

met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk sluit zij ieder ander buiten.

Haar vonken zijn bliksemschichten, vlammen van de heer.

Geen stortvloed van water kan de liefde blussen,

geen rivier spoelt haar weg.

Al bood iemand alles wat hij bezit voor de liefde,

men zou hem met verachting afwijzen.

 

 

 

Keuze van Hugo De Keyser                                              18 februari

1 Jo 4,7-10

Pastoor Chris Simoens koos dezelfde tekst, met enkele verzen extra: 1 Jo 4,7-16

 

Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven. Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.

Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben. Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden. Dat wij in hem blijven en hij in ons, weten we doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest. En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld. Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

 

 

 

Keuze van Linda Hesters                                                 25 februari

Mt 4, 18-22

Op deze asdag worden we door Linda Hesters herinnerd aan onze keuze om volgelingen van Jezus te zijn.

 

Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem.

 

 

 

Keuze van Juliana Weemaes                                           5 maart

Hnd 20,35

Er is meer vreugde in het geven dan in het ontvangen.

 

Jezus kennen en Jezus achterna gaan: we kennen zijn naam pas helemaal als we het wagen in zijn voetstappen te treden .

Het einde van de weg zal heerlijkheid zijn: de volheid van Gods koninkrijk, de verrukkelijke nabijheid van Jezus’ Vader. Maar de weg loopt over Golgotha: het kruis is onontwijkbaar.

We zijn hier in het kernstuk van Marcus’ blijde boodschap. Schamen we ons ? Of proeven we iets van de vrijheid en de vreugde in Jezus zelf en bij die eerste christengemeente die dit optekende ?  Waar baat het een mens, een cultuur, een beschaving, de hele wereld voor zich te winnen, als dit ten koste gaat van het wezenlijke: zijn ziel, zijn vrijheid, de vonk van Gods vreugde die sterker is dan de dood ?

 

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 11 maart

Jac 2,1-13     Een oproep tot solidariteit met al onze naasten, zonder onderscheid.

 

Broeders en zusters, het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, staat niet toe dat u mensen op hun uiterlijk beoordeelt. Stel dat uw samenkomst wordt bezocht door iemand die prachtige kleren en gouden ringen draagt, en tegelijkertijd door een arme in vodden. Als u dan de eerste met alle zorg omringt en tegen hem zegt: ‘Neemt u plaats, hier zit u goed,’ terwijl u tegen de tweede zegt: ‘Ga daar maar staan, of ga maar bij mijn voetenbank op de grond zitten,’ maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid en wordt uw oordeel niet door verkeerde overwegingen bepaald? Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en deel te krijgen aan het koninkrijk dat hij heeft beloofd aan wie hem liefhebben? Maar u behandelt arme mensen met minachting. Zijn het dan niet de rijken die u onderdrukken en u voor de rechter slepen? Zijn zij het niet die de voortreffelijke naam die over u is uitgesproken, door het slijk halen? Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: ‘Heb uw naaste lief als uzelf,’ dan handelt u juist. Maar als u op het uiterlijk afgaat, begaat u een zonde en bestempelt de wet u als overtreders. Wie de hele wet onderhoudt maar op één punt struikelt, blijft ten aanzien van alle geboden in gebreke. Want hij die gezegd heeft: ‘Pleeg geen overspel,’ heeft ook gezegd: ‘Pleeg geen moord.’ Als u geen overspel pleegt maar wel een moord, overtreedt u toch de wet. Zorg ervoor dat uw spreken en uw handelen de toets kunnen doorstaan van de wet die vrijheid brengt. Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel.

 

 

Keuze van Petra Mussche                                                18 maart

Judit 10,1-13,17

 

Op 4 maart was Tine Ruysschaert onze gast met haar programma “Door toedoen van Bijbelse vrouwen”. Vele sterke vrouwen passeerden de revue met al even sterke verhalen. En hoewel hier en daar de bijbelse context versluierd werd, bleef de belangrijkste boodschap overeind: God is een God van levenden, die zijn volk nabij blijft, zelfs in de meest extreme omstandigheden. In je eentje bereik je niets. Alleen wie samen met God op weg gaat, zal vruchtbaar handelen en leven scheppen.

We lezen een korte versie van het verhaal van zo’n vrouw die het met God waagt: Judit. De betekenis van haar naam zegt het al vanzelf: God leidt.

 

Al drie jaar en vier maanden leefde Judit als weduwe. Op het dak van haar woning had ze een tent laten zetten. Om haar lendenen droeg ze een zak en ze ging als weduwe gekleed. En al de dagen van haar weduwschap vastte zij, behalve op sabbat en op feest– en vreugdedagen van het huis van Israël. Zij was een mooie verschijning, zeer mooi om te zien. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, dienaren en dienaressen, vee en akkers; dit alles beheerde zij. Niemand wist iets kwaads over haar te vertellen: zij was zeer gelovig.

De Israëlieten riepen de Heer, hun God aan, want ze begonnen de moed te verliezen, nu al hun vijanden hen omringden en er geen kans was om aan hen te ontkomen. Judit hoorde daarvan en bad vurig tot God. Ze ontdeed zich van haar boetekleed en legde haar weduwekleren af. Daarna nam ze een bad, zalfde zich met kostbare olie, maakte haar haar op en zette een hoofdtooi op. Ze trok haar vreugdekleren aan, die zij gedragen had toen haar man nog leefde. Ze deed sandalen aan haar voeten en tooide zich met al haar sieraden. Ze maakte zich zo mooi op, dat ze de aandacht moest trekken van iedere man die haar zou zien.

Samen met haar dienstmeisje ging Judit op weg naar de vijanden van Israël. Alle mannen bewonderden haar grote schoonheid. Ze kwam aan bij Holofernes, de gezaghebber van Israëls vijand. Judit kwam binnen en ging aanliggen. Holofernes raakte buiten zinnen, zijn binnenste kwam in beroering en felle begeerte om met haar samen te zijn, greep hem aan. Voor de ogen van Holofernes begon Judit te eten en te drinken van wat haar eigen dienstmeisje had klaargemaakt. Holofernes was verheugd over haar en dronk zeer veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven gedronken had. Niet lang daarna viel hij in slaap.

Judit liep naar de bedstijl vlak bij het slapende hoofd van Holofernes, pakte zijn zwaard, ging naar het bed toe, greep Holofernes bij zijn hoofdhaar en zei : “Heer, God van Israël, geef mij nu kracht.” Toen liet ze met alle kracht het zwaard tot tweemaal toe in zijn nek neerkomen en sloeg hem het hoofd af.

Bij haar terugkomst ontstak het hele volk in vreugde. Het volk boog zich neer om God te aanbidden en het riep in koor uit : “U bent geprezen, onze God, die vandaag de vijanden van uw volk vernietigd hebt.”

 

 

Keuze van Anna Verbrugghen                                         25 maart

Mt 20,1-16

 

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. Nadat hij met de arbeiders een dagloon van een denarie overeengekomen was, stuurde hij hen naar zijn wijngaard. Drie uur later trok hij er opnieuw op uit, en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, zei hij ook tegen hen: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.” En ze gingen erheen. Rond het middaguur ging hij er nogmaals op uit, en drie uur later weer, en handelde als tevoren. Toen hij tegen het elfde uur van de dag nog eens op weg ging, trof hij een groepje dat er nog steeds stond. Hij vroeg hun: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” “Niemand wilde ons in dienst nemen,” antwoordden ze. Hij zei hun: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.” Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: “Roep de arbeiders bij je en betaal hun het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.” En zij die er vanaf het elfde uur waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die ene denarie. Toen ze die in handen hadden, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: “Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij het onder de brandende zon de hele dag hebben volgehouden.” Hij gaf een van hen ten antwoord: “Beste man, ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? Neem dan aan wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou. Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?” Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.’

 

 

Keuze van Mariette Leyns                                               1 april

 

Prediker 5,7-19

Rijkdom is ijdel

Als je ziet dat in een bepaald gebied de kleine man onderdrukt wordt en dat recht en rechtvaardigheid worden verkracht, verbaas je dan niet. Want ambtenaren nemen elkaar in bescherming tot de hoogsten toe. Bij dit alles is er nog een geluk voor een land: een koning die bekommerd is om de landbouw.

Wie uit is op geld heeft nooit genoeg en wie uit is op rijkdom wil altijd meer. Ook dat is ijdel. Hoe groter je bezit, hoe meer profiteurs. En wat heb je er als eigenaar aan? Je kunt er naar kijken, meer niet. Iemand die werkt slaapt goed, of hij nu veel of weinig te eten heeft. Maar een rijke heeft zo’n overvloed dat hij niet rustig kan slapen. Nog een grote narigheid zag ik onder de zon: iemand pot rijkdommen op en dan gaat het verkeerd. Door tegenslag raakt hij alles kwijt, en zijn kinderen staan met lege handen. Zoals een mens uit de schoot van zijn moeder gekomen is moet hij terug: even naakt. Van zijn bezittingen kan hij niets meenemen. Inderdaad het is pijnlijk: net zoals hij gekomen is moet hij weer gaan. Wat heeft hij dan bereikt? Hij heeft gezwoegd voor niets. Troosteloos was zijn hele bestaan, vol ergernis, ellende en bitterheid.

Maar iets goeds heb ik toch ontdekt. Wat deugd doet is eten en drinken en van het goede genieten bij alle zwoegen en tobben onder de zon, de korte tijd die God je toemeet. Dat is het enige wat je hebt. Inderdaad, als God je welstand en rijkdom schenkt en je de kans geeft ervan te profiteren, als je je deel krijgt en gelukkig bent bij al je werk, dan is dat een gave van God. Je denkt dan niet voortdurend aan de kortheid van je bestaan: God geeft je zoveel dat je er helemaal in opgaat.

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 8 april

Fil 2,1-11

Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zo veel ontferming en medelijden, maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf. Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 15 april

Mc 8,31-9,13

Hij begon hun uit te leggen: de Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet verworpen worden door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, ter dood gebracht worden, en na drie dagen opstaan. Hij sprak hierover ronduit. Petrus nam Hem apart en begon Hem de les te lezen. Maar Hij keerde zich naar zijn leerlingen, keek hen aan en berispte Petrus: ‘Weg daar, achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.’ Hij riep de menigte met de leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden. Want wat baat het een mens heel de wereld te winnen maar zichzelf schade toe te brengen? Want wat kan een mens geven in ruil voor zichzelf? Want wie zich schaamt voor Mij en mijn woorden te midden van deze overspelige en afvallige generatie, over hem zal ook de Mensenzoon zich schamen wanneer Hij, bekleed met de heerlijkheid van zijn Vader, komt met de heilige engelen.’

Ook zei Hij hun: ‘Ik verzeker u, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is.’

Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, en zijn kleren werden schitterend wit, zoals geen bleker op aarde ze maken kan. Elia verscheen hun samen met Mozes, in gesprek met Jezus. Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Rabbi, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.’ Want hij wist niet wat hij moest zeggen; zo vol ontzag waren ze. Er kwam een wolk die hen overdekte, en er klonk een stem uit de wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.’ Toen ze rondkeken, zagen ze ineens niemand meer, alleen Jezus was bij hen.

Terwijl ze van de berg afdaalden, bezwoer Hij hun niemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Dit woord grepen ze aan om onder elkaar te bespreken waarop dat ‘uit de doden opstaan’ sloeg. En zij stelden Hem de vraag: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ Hij zei hun: ‘Elia komt eerst en herstelt alles. Maar hoe kan over de Mensenzoon geschreven staan dat Hij veel lijden moet en miskend moet worden? Ik zeg jullie: niet alleen is Elia al gekomen, ze hebben bovendien met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’

 

 

 

Keuze van Linda Hesters                                                 22 april

Psalm 98, 1-9

 

Een psalm.

Zing voor de HEER een nieuw lied:

wonderen heeft hij verricht.

Zijn rechterhand heeft overwonnen,

zijn heilige arm heeft redding gebracht.

De HEER heeft zijn overwinning bekendgemaakt,

voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.

Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw

voor het volk van Israël.

De einden der aarde hebben het gezien:

de overwinning van onze God.

Juich de HEER toe, heel de aarde,

juich en jubel, zing het uit.

 

Zing voor de HEER bij de lier,

laat bij de lier uw lied weerklinken.

Blaas op de ramshoorn en de trompetten,

juich als de HEER, uw koning, verschijnt.

Laat bruisen de zee en alles wat daar leeft,

laat juichen de wereld met haar bewoners.

 

Laten de rivieren in de handen klappen

en samen met de bergen jubelen

voor de HEER, want hij is in aantocht

als rechter van de aarde.

Rechtvaardig zal hij de wereld berechten,

de volken oordelen naar recht en wet.

 

 

 

Keuze van Christine Hardyns en Chris Simoens          29 april

Joh 4,4-15

 

Daarvoor moest hij door Samaria heen. Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken.’ Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’ ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Jezus, ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’

 

 

Keuze uit Verhalende Tuinen                                           6 mei

Mt 11,25-30

 

Vrijdag startte het kunstproject Verhalende Tuinen. Kunstenaars lieten zich inspireren door een bijbeltekst. We drukken hier een tekst af die de basis vormde voor één van deze kunstwerken (door Nicole Van Speybroeck). De tekst stond ook in het keuzelijstje van Pastoor Chris Simoens.

 

In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.

Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

 

 

Keuze van Petra Mussche                                                13 mei          

Tobit 1,3; 1,9; 4,1-2.20; 5, 3-6.17b

 

“Ik, Tobit, heb mijn leven lang de ware weg van waarheid en gerechtigheid bewandeld. Ik trouwde met Anna, een vrouw uit onze eigen stam. We kregen een zoontje en gaven hem de naam Tobias, wat betekent ‘Jahweh is goed’, net als mijn eigen naam.”

Op een dag herinnerde Tobit zich dat hij geld geleend had aan een man in Medië.  Hij dacht : “Ik moet het Tobias vertellen voor ik sterf.”

“Luister goed ! Aan een volksgenoot in Rages heb ik jaren geleden tien talenten zilver in bewaring gegeven. Je moet ze halen. Zoek maar iemand die je op de verre reis wil vergezellen. Ik zal hem zijn loon geven als ik nog leef bij jullie terugkomst. Anders moet jij het doen.”

Tobias ging iemand zoeken. De eerste man die hij ontmoette was Azarias. Hij was eigenlijk de engel Rafaël, maar Tobias wist niet dat het een engel was. Hij vroeg hem : “Zou u met mij naar Medië willen reizen ? Kent u die streek ?”  Waarop de engel antwoordde : “Ja, ik ken de weg en ik heb er eens overnacht bij een landgenoot.”

Toen zijn zoon zich voor de reis klaarmaakte, zei Tobit : “Ga nu met die persoon op reis. Dat God jullie langs de goede weg mag leiden en moge zijn engel jullie vergezellen.”

 

 

Keuze van Petra Mussche                                                20 mei          

2 Kon 2, 8-15a        Morgen vieren we het feest van Jezus’ hemelvaart. In deze Paas- en Pinkstertijd vinden we treffende gelijkenissen met de figuur van Elia in het Oude Testament.

 

Elia deed zijn mantel af en vouwde hem dubbel. Hij sloeg ermee op het water, waarop het naar links en naar rechts wegvloeide en zij tweeën droog konden oversteken. Terwijl ze overstaken vroeg Elia aan Elisa: ‘Wat kan ik nog voor je doen voor ik van je word weggenomen? Vraag het maar.’ Elisa antwoordde: ‘Laat mij dubbel in uw geest delen.’ ‘Je vraagt iets heel moeilijks,’ zei Elia. ‘Als je ziet hoe ik van je word weggenomen, zal je wens vervuld worden, maar als je het niet ziet, gebeurt het niet.’ En terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur, met paarden van vuur ervoor, en Elia werd in een stormwind meegevoerd naar de hemel. Elisa zag het gebeuren en riep uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ Toen hij Elia niet meer kon zien, scheurde hij zijn kleren. Hij raapte Elia’s mantel, die was afgegleden, op, en liep terug. Bij de oever van de rivier hield hij stil. Hij sloeg met Elia’s mantel op het water en riep uit: ‘Waar is de HEER, de God van Elia?’ Dus ook hij sloeg op het water en opnieuw vloeide het naar links en naar rechts weg, zodat Elisa kon oversteken. De profeten uit Jericho, die Elisa vanaf de overkant in het oog hielden, zeiden tegen elkaar: ‘De geest van Elia is op Elisa neergedaald.’

 

 

Keuze van Linda Hesters                                                  27 mei

Lc 11, 1-13             Vandaag lezen we een overbekende tekst die toch verrassend eindigt met een Pinksterboodschap.

 

Eens was Jezus aan het bidden, en toen hij zijn gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’  Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie bidden, zeg dan: “Vader, laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen. Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben.  Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving.”’

Daarna zei hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij drie broden lenen, want een vriend van me is na een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” En veronderstel nu eens dat die vriend dan zegt: “Val me niet lastig! De deur is al gesloten en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan niet opstaan om je te geven wat je vraagt.” Ik zeg jullie, als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat ze vrienden zijn, dan zal hij wel opstaan omdat zijn vriend zo onbeschaamd blijft aandringen, en hem alles geven wat hij nodig heeft. Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 3 juni 

Hand 6,1-6    Vandaag lezen we hoe de eerste gemeenschap na Pinksteren zich uitbreidt en organiseert.

 

Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Arameessprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de heilige Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, terwijl wij ons zullen wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord van God.’ Alle leerlingen stemden met dit voorstel in. Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Ze lieten deze mannen plaatsnemen voor de apostelen, die een gebed uitspraken en hun daarna de handen oplegden.

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 10 juni                      

Sir 14,20-27  Wijsheid brengt geluk

 

Gelukkig is de mens die zich verdiept in wijsheid,

die naar inzicht streeft,

de wegen van de wijsheid overdenkt,

haar geheimen tracht te doorgronden.

Laat hij het spoor van de wijsheid volgen,

bij haar poorten naar haar spieden.

Hij blikt door haar vensters,

luistert aan haar deuren.

Hij vestigt zich bij haar huis,

slaat zijn tentpin in haar muren.

Hij zet zijn tent vlak bij haar neer,

hij vestigt zich op een goede plaats.

Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting

en woont onder haar takken.

Zij beschermt hem tegen de hitte,

in haar luister woont hij.

 

 

Keuze van Chris Simoens                                                 17 juni

Neh 8,1-8      Het achtste hoofdstuk uit het boek Nehemia handelt hoofdzakelijk over het lezen en verstaan van de Schrift. Een betere afsluiter voor dit “Jaar van de bijbel”, kunnen we ons niet voorstellen.

 

Het voltallige volk stroomden samen op het plein voor de Waterpoort en verzochten Ezra, de schriftgeleerde, om het boek te gaan halen van de leer van Mozes, die de heer aan Israël opgelegd heeft. En Ezra, de priester, bracht de leer bij de vergadering van mannen en vrouwen en iedereen die de voorlezing kon volgen. Vanaf de dageraad tot de middag las Ezra eruit voor op het plein voor de Waterpoort, verstaanbaar voor de mannen en vrouwen en iedereen die het kon volgen. Het volk luisterde aandachtig naar de voorlezing van het boek van de leer.

Ezra, de schriftgeleerde, ging op een houten verhoging staan die voor die gelegenheid gemaakt was. Tegenover heel het volk opende Ezra het boek; hij stak immers boven iedereen uit. Op dat ogenblik ging iedereen staan. En Ezra prees de heer, de grote God, en heel het volk antwoordde: ‘Amen, amen!’ Zij staken hun handen omhoog, zij bogen het hoofd en zij vielen neer voor de heer, met het gezicht op de grond. En de Levieten verklaarden het volk daar ter plaatse de leer. Zij lazen voor uit het boek van Gods leer, legden het uit en verklaarden de betekenis, zodat iedereen de lezing begreep.